Dichtheid per km2
Territoria per km²Dichtheid = territoria per jaar gedeeld door het Meijendel-oppervlak in dat jaar, volgens dezelfde berekening als de dashboardkeuze “Dichtheid per km2”.
Beschrijving
'Onze' Boomleeuwerikken zijn trekvogels, maar die van zuidelijk Europa standvogels. Het verblijfsgebied beslaat het grootste deel van Europa en oost tot aan de Oeral (Rusland). Het beslaat ook Klein-Azië tot aan Iran.
Na een winterverblijf in landen rondom de Middellandse Zee komt de Boomleeuwerik in het vroege voorjaar terug. Vooral mannetjes kunnen in de geschikte biotoop heel plaatstrouw zijn. De Boomleeuwerik houdt van een (half)open landschap met verspreid een boom en struik zoals in het open middenduin. Daar kan hij lopend voedsel vinden, vooral insecten en zaden. Hij timmert al in het vroege voorjaar aan de weg met zijn fraaie zang, die vanuit de top van een struik of boom, maar met name ook in een zangvlucht ten gehore wordt gebracht. Tegen de wind in stil hangend of in een kring om zijn territorium vliegend klinken de melodieuze, soms wat melancholieke, dan weer ‘jodelende’ klanken om daarna naar beneden te parachuteren.
Het nest wordt in de buurt van zijn favoriete zangpost op de grond gebouwd, goed verborgen en beschut door vegetatie. Het is mooi afgewerkt met grasjes, mos, draadjes, wat wol en haar. De eieren worden door het vrouwtje bebroed, de jongen door beide ouders gevoerd. Meestal volgt een tweede legsel. Aan het eind van broedseizoen vertrekken de meeste Boomleeuwerikken zuidwaarts, maar het lijkt dat het aantal overwinteringen toeneemt. Het kwam wel vaker voor dat een enkele Boomleeuwerik in de winter werd gezien, maar de laatste jaren is dat bijna elke winter het geval. Zo is ook bij wintertellingen door leden van de vogelwerkgroep gebleken, dat ze in december en januari worden gezien.
Voorkomen
Strenge winters die tot diep in de overwinteringsgebieden in ZW-Europa doordringen, bezorgen de populatie een klap. Opvallend is dat de populaties in de duinstreek uitbreiden en in dichtheid toenemen, terwijl populaties op de oostelijke zandgronden juist afnemen. Lokale toe- of afnames hangen vaak samen met het tereinbeheer (bron: zie vogel.asp r398).
De Boomleeuwerik in Meijendel is na de jaren ‘90 een succesverhaal. De soort kwam eerst vooral voor in het noordelijk duingebied (kavels van de 70-serie). In 1975 waren daar 36 territoria maar eind jaren '80 was de soort nagenoeg verdwenen. Vanaf 1995 gaat het aantal weer omhoog. De verdere ontwikkeling volgt globaal de landelijke trend (kleine kaart) en is zichtbaar in grafiek en tabel hierboven. Dubbeltellingen kunnen bij deze soort zeker voorkomen; op flinke hoogte zingend wordt vaak over meerdere kavels gevlogen.
Opvallend is dat de Boomleeuwerik nu ook in terreingedeelten voorkomt, waar ze voorheen in de broedtijd niet voorkwamen. Deze gebiedsuitbreiding zou wel eens te danken kunnen zijn aan het beleid om meer dynamiek in het duin te brengen (verstuiving, begrazing). Het voorkomen in Meijendel kan per jaar in een kaartje worden getoond door op een jaartal in de tabel te klikken.
Vogelkenmerken
Heide- en zandvogel, bekend om melodieuze cirkelende zangvlucht.
Ecologische vogelgroepen: Vogels van pionierbegroeiingen (Tapuit-groep); Bosrandvogels (Bosrandstruweelvogels, Geelgors-groep). Rode Lijst: geen. Oranje Lijst: geen. Vogelrichtlijn: Vogelrichtlijn
Functionele habitat en foerageerwijze: Gebruik van droge open duinheide met zandige plekken. Gebruik van halfopen heide met gras, open zand en lage vegetatie. Gebruik van vaste zangposten. Cirkelende baltsvlucht boven het territorium. Broeden of foerageren nabij bomen, struiken of boomranden.
Voedsel van volwassen vogels: Rupsen als belangrijke voedselbron. kleine insecten, wormen, slakken, kreeftachtigen,kleine blad/luchtinsecten en andere kleine ongewervelden
Voedsel voor jongen: Kevers en torren als jongenvoedsel. Rupsen als voedsel voor jongen.
Nestplaats en nestbouw: Komvormig grasnest in een kuiltje. Nest tegen of tussen graspollen. Grondnest. Laag komvormig nest op de grond. Open nest in bomen, kroon of takstructuur Nest nabij boom, struik of boomrand.
Gedrag, ecologie en levenswijze: Langdurig optrekken in familiegroepen na uitvliegen. Familiegewijze verplaatsing of nazomertrek. Zangactiviteit begint al in februari. Korte jodelachtige alarmroep. Spiraalvormige dalende zang- of baltsvlucht. Langdurige zang van ongepaard mannetje.