Terug naar soorten

Kluut

Recurvirostra avosetta Kluten

2jaren
2territoria
1hoogste jaar

1958 t/m 2016 · bron: Meijendel-database

Dichtheid per km2

Territoria per km²
Dichtheid

Dichtheid = territoria per jaar gedeeld door het Meijendel-oppervlak in dat jaar, volgens dezelfde berekening als de dashboardkeuze “Dichtheid per km2”.

Kluut
Kluut Foto: El Golli Mohamed · CC BY-SA 4.0 Bron: Wikimedia Commons

Beschrijving

Het uiterlijk van een Kluut is uniek en behoeft nauwelijks een beschrijving. Voor de volledigheid: hij is voornamelijk wit met enkele zwarte strepen en hij heeft lange poten. Het meest opvallende en tevens kenmerkende is wel de lange, dunne en omhoog gebogen snavel. Door het ondiepe water lopend vangt de Kluut met zijwaartse bewegingen zijn voedsel in het slik. Hij houdt tijdens deze 'maai'bewegingen de snavel op een kiertje en vangt dan garnaaltjes, kleine kreeftjes, insecten en dergelijke.

Het merendeel van de Nederlandse Kluten broedt in het Wadden- en Deltagebied, met kleinere aantallen in het IJsselmeergebied of West-Nederland. Diep in het binnenland broeden Kluten hier en daar langs de Grote Rivieren. Ze nestelen meestal in kleine kolonies, veelal in pioniersituaties en reageren vlot op het verschijnen of verdwijnen van geschikte plekken (bron: Sovon ). Het nest is niet veel meer dan een kuiltje in het zand, bekleed met wat schelpen. Er is in de regel maar één legsel, een verloren legsel wordt wel vaak vervangen.

Kluten zijn trekvogels, slechts een klein deel van de populatie blijft overwinteren, en alleen onder milde weersomstandigheden. Ze trekken in het najaar naar Zuidwest-Europa en Noordwest-Afrika en keren vanaf maart terug.

Voorkomen

De landelijke broedpopulatie groeide tussen 1970 en 1990 aanzienlijk, vooral dankzij toenames op de Fries-Groningse Waddenkust. Sinds het jaar 2000 dalen de aantallen weer, in het Waddengebied harder dan in het Deltagebied. De afname hangt samen met nestpredatie, het door vegetatiesuccessie ongeschikt worden van broedplaatsen, voedselproblemen en het verdwijnen van tijdelijk geschikte broedlocaties (bron: Sovon ).

Vogelkenmerken

Pionierende steltloper van open brakke en zoute slikgebieden; zeeft voedsel uit ondiep water en broedt vaak koloniaal.

Ecologische vogelgroepen: Vogels van pionierbegroeiingen (Kleine Plevier-groep, Strandplevier-groep). Rode Lijst: geen. Oranje Lijst: Oranje Lijst. Vogelrichtlijn: Vogelrichtlijn

Functionele habitat en foerageerwijze: Gebruik van open terrein zonder gesloten boom- of struiklaag. Snel gebruik van kale, nieuw gevormde of dynamische pionierhabitats. Gebruik van schelpenstrand, schelpenbank of kiezelige kustbodem. Gebruik van schelprijk kustsubstraat. Met opgewipte of fijne snavel door water of slik zeven. Gebruik van open water, plassen of watergangen.

Voedsel van volwassen vogels: Benthische, slik- en bodemfauna als voedselbron. Kreeftachtigen en andere kleine schaaldieren. garnalen/slijkgarnalen Wormen als belangrijke voedselbron. kleine insecten, wormen, slakken, kreeftachtigen,kleine blad/luchtinsecten en andere kleine ongewervelden

Voedsel voor jongen: kleine oppervlakte-insecten voor kuikens

Nestplaats en nestbouw: Nest in kolonies of dicht bij soortgenoten. Grondnest. Open grondnest. Eenvoudig uitgekrabd nestkuiltje. Nest bekleed met schelpen, grit of kleine steentjes.

Gedrag, ecologie en levenswijze: Kolonie- of losse koloniestrategie. 1 = sterk koloniaal; 2 = los of semi-koloniaal indien toegepast. Kolonie kan na nestverlies of verstoring naar andere plek verhuizen. Baltsgedrag met waterspetteren.

Migratie: Langeafstandstrek. Trekkend gedrag algemeen. Zomergast; aanwezig in broedseizoen en afwezig in winter.