De laatste telling van het herfst-/winterseizoen 2025-2026 pakte misschien wel wat pover uit. Het geïnventariseerde oppervlak was deze keer het kleinste van de laatste 15 jaren (6,67 km²). En de berekende vogeldichtheid bleef ook nog onder het gemiddelde voor de maand maart, al was die duidelijk wel herstellend na de keldering van februari. De dichtheid kwam uit op 369 vogels/km2. Er zijn in totaal 2462 vogels geteld, vogels van 71 soorten.

Al met al was deze jaargang van het telseizoen best opmerkelijk te noemen. Het begon in september met een laagterecord aan dichtheid. Vervolgens kwam deze vier maanden telkens op topniveau uit, stortte in februari (na een aanhoudende periode van relatieve kou) fors in maar krabbelde in maart weer op in de richting van de gemiddelde maandwaarde (zie grafiek). Eigenlijk is het jammer dat er van betrekkelijk weinig kavels telgegevens zijn in maart; het lijkt nu eenmaal nodig om geleidelijk vroeger in het voorjaar de BMP-tellingen te starten en die gaan natuurlijk voor. En misschien zien nog niet alle tellers hoe de beide typen tellingen eenvoudig te combineren zijn... Anderzijds past bij dit beeld van vrij schamel aandoende telresultaten toch ook wel dat er nu voor medio maart relatief slechts weinig vogelsoorten zijn aangetroffen.
Winnaars
Als opvallende winnaars qua aanwezigheid / dichtheid in maart zijn deze keer te noemen: Knobbelzwaan, Graspieper, Pimpelmees en Putter. Extra interessant wordt het als we daarbij het dichtheidspatroon van soorten gedurende het gehele seizoen in ogenschouw nemen. De Graspieper en de Putter (en in zekere zin ook de niet genoemde Tjiftjaf) blijken dan gewoon voor maart hoog uitschietende dichtheidswaarden te hebben. Maar de Knobbelzwaan heeft dit seizoen in elke maand een bovengemiddelde dichtheid bereikt en de Pimpelmees heeft, overigens evenals de Goudhaan, in oktober een ware invasie te zien heeft gegeven.

Achterblijvers
Zo kunnen we ook naar de voornaamste achterblijvers in maart kijken: Fuut, Blauwe reiger, Wintertaling, Slobeend, Meerkoet en Koolmees. De Blauwe reiger, Slobeend en Koolmees lijken hierbij als uitschieter aangemerkt te mogen worden. En voor het hele afgelopen seizoen is de soortenlijst die elke maand in dichtheid onder het jarenlange gemiddelde voor die maand uitkwam: de Fuut, Wintertaling en Meerkoet. Hier komen dan de volgende soorten nog bij: Krakeend, Halsbandparkiet, Vuurgoudhaan, Glanskop, Boomklever, Sijs en Goudvink. Met name de Krakeend, Wintertaling en Meerkoet lijken in Meijendel achteruit te gaan (evenals de Glanskop en de Goudvink waarvan zoiets al eerder is gemeld). De Halsbandparkiet is een exoot en komt slechts in een beperkt aantal telkavels voor. Dit laatste geldt ook voor de Boomklever en de Sijs. In de betreffende kavels is in dit seizoen waarschijnlijk niet of minder geteld. Wél bijzonder is het achterblijven van de Vuurgoudhaan terwijl de Goudhaan dit jaar juist de reeds genoemde invasie kende.
Hoe het ook anders kan, komt mooi tot uiting in bijgaande grafiek: het dichtheidsverloop van de Roodborst, een toonbeeld van stabiliteit. Rest nog de vermelding van een tweetal wellicht apart noemenswaardige waarnemingen: de Visarend in kavel 73 en de manke Vos in kavel 42 (zie foto).

Tot slot: heel veel dank aan alle tellers voor al hun inzet! En ieder ook weer een fijn nieuw voorjaars- en zomerseizoen toegewenst, met mooie inventarisaties en natuurlijk onder zeer gunstige tel-omstandigheden.
Jan Westgeest (westgeest.jan@gmail.com)