Het duin werd opener – waarom kwamen de vogels niet terug?
De paradox van open-duinherstel in Meijendel, opnieuw onderzocht met 68 jaar broedvogelgegevens
Er gebeurde in Meijendel iets wat op het eerste gezicht bevreemd. In het artikel in Holland’s Duinen, nr. 88: “Gaan veranderingen in de begroeiing en broedvogels gelijk op in Meijendel?” stellen de auteurs vast dat struweel en bos plaats maakten voor lage vegetatie en kaal zand, maar dat de broedvogelstand niet meeveerde. Gelukkig vonden de auteurs een positieve uitzondering; de vogels van lage vegetatie. Maar, bij nadere analyse blijkt zelfs die uitzondering helaas minder betekenisvol; vrijwel de hele winst van die groep kwam door één soort. Wat is er aan de hand?
Deel 1
De paradox opnieuw uitgerekend
Een recente studie legde luchtfoto’s uit 2001 en 2022 naast de broedvogeltellingen in 25 kavels, samen 925 hectare. In die uitsnede verloor struweel 94 hectare en bos 29 hectare. lage vegetatie won 53 hectare en kaal zand 42 hectare. Tegelijk ging het berekende jaartotaal broedvogels van ongeveer 5.000 naar 3.800 territoria.2 Op zichzelf niet bevreemdend, kale grond draagt nu eenmaal minder vogelsoorten dan struweel en bos. Wat echter verontrustend zou zijn is als die achteruitgang niet wordt gecompenseerd door een kwalitatieve verbetering, d.w.z. een verschuiving naar vogelsoorten die bij dat type landschap horen. Het artikel slaat een positieve toon aan, maar de basis daarvoor is zwak.
De Vogelwerkgroepe Meijendel beschikt sinds kort digitaal over 70.895 territoriumregels, 159 soorten, 54 getelde kavels en een reeks van 1958 tot en met 2025. Daarmee is de berekening opnieuw uitgevoerd. Met 27 kavels die in zowel 1997–2001 als 2018–2022 ten minste vier van de vijf jaren zijn onderzocht. Per kavel is eerst een gemiddeld jaartotaal berekend; pas daarna zijn ze opgeteld. De Aalscholver is buiten de gemeenschapssom gehouden, omdat een verplaatsing van de kolonie de ontwikkeling van tientallen andere soorten kan overstemmen.1
De hele gemeenschap
- 1997–2001
- gemiddeld 6.537 territoria per jaar
- 2018–2022
- gemiddeld 4.908 territoria per jaar
- Verandering
- −24,9%
Vogels van lage vegetatie
- Met Boomleeuwerik
- van 63,2 naar 154,1 territoria: +144%
- Zonder Boomleeuwerik
- van 50,5 naar 39,3 territoria: −22%
- Onzekerheid
- voor de groep zonder Boomleeuwerik loopt het interval van −59 tot +23%
De uitkomst corrigeert niet zozeer het artikel als wel de betekenis ervan. De Boomleeuwerik ging inderdaad spectaculeer van 12,7 naar 114,9 territoria, maar de overige soorten van de door de auteurs gedefinieerde ‘lage vegetatie’ groep namen samen niet aantoonbaar toe. Graspieper ging van 26,0 naar 21,5, Kievit van 16,2 naar 8,6 en Tapuit, Wulp en Veldleeuwerik waren aan het einde samen vrijwel verdwenen. De toename van één succesvolle soort maskeert het uitblijven van breed herstel.
Ook over de periode vanaf 1958 verandert het beeld. In dertien kavels die zowel in 1958–1962 als in 2021–2025 zijn geteld, daalde de groep van lage vegetatie van gemiddeld 135 naar 86 territoria: −37 procent. In dezelfde kavels nam de bosgroep toe van 83 naar 974. De richting is helder: de vogelgemeenschap draagt nog altijd de afdruk van decennia successie. Recent opengemaakt terrein ligt in een landschap dat ecologisch niet meer dezelfde rijkdom heeft als voorheen.
Deel 2
Een kaartkleur is geen leefgebied
Op een luchtfoto is “open” vooral het ontbreken van hoge vegetatie. Voor een vogel hebben andere factoren dan openheid een groter gewicht. Kan er tussen de planten over de bodem worden gelopen? Zijn er kale, snel opwarmende plekjes? Staan er voldoende kruiden en hogere graspolletjes voor insecten? Is er een zangpost, een beschutte nestplaats en uitzicht op een naderend roofdier? Liggen voedsel en nest dicht genoeg bij elkaar? Twee vakken met dezelfde kleur op de foto kunnen voor een Tapuit ecologisch tegenovergesteld zijn.
Onderzoek aan Tapuiten en hun prooien liet al zien dat korte duingraslanden die er voor het menselijk oog vergelijkbaar uitzagen, verschilden in bodemfauna, bodemverdichting en de opeenvolging van beschikbare prooien. De hoogste diversiteit en aantallen bodemdieren werden niet alleen in de kortste vegetatie gevonden. Hogere grasstukken leverden andere insecten; randen van stuifkuilen weer andere. Het beheeradvies was daarom expliciet: maak niet overal hetzelfde korte tapijt, maar behoud een kleinschalige afwisseling van kaal zand, korte gesloten vegetatie en graziger stukken.4
Dat is nadrukkelijk geen pleidooi voor rommelig beheer. Verschillende insecten gebruiken verschillende fasen van het duin. Wortellarven leven ondergronds, rupsen op waardplanten, kevers in warme overgangen en bloembezoekers waar kruiden tot bloei komen. Te weinig beheer laat gras, struweel en bos oprukken; te intensieve of uniforme begrazing kan bloemen, ruigere schuilplekken en nestdekking juist wegnemen. Kleinschalige verstuiving brengt kalkhoudend zand omhoog en kan daarmee plantkwaliteit, kleine fauna en het aanbod van grote insecten verbeteren, terwijl een te hoge graasdruk een monotone structuur kan opleveren.7
Ook schaal en ligging tellen. Een klein open vlak tussen hoge randen heeft meer rand, meer beschaduwing en mogelijk een ander predatierisico dan een groot verbonden duingrasland. De luchtfotoanalyse classificeerde oppervlaktes, maar niet al deze functionele details. Dat is geen tekortkoming die met nóg meer hectares in dezelfde categorie verdwijnt. Het laat zien dat habitatkwaliteit, configuratie en gebruik afzonderlijk moeten worden gemeten.
Deel 3
Drie vogels, drie verschillende toetsen
De Boomleeuwerik: open, maar niet boomloos
De boomleeuwerik bepaalde in zeer hoge mate de bevindingen en inderdaad deze vogel vraagt precies om het gecreëerde overgangslandschap. Boomleeuweriken broeden op droge zandgrond met schaarse begroeiing, maar gebruiken ook verspreide bomen of struiken als zangpost en dekking. Ze foerageren in korte vegetatie en op kale plekken tot ongeveer 200 meter van het nest. Daarmee past de soort bij herstelde open vlakken in een landschap waar nog opslag aanwezig is. Bovendien stijgt de Boomleeuwerik sinds 1990 ook landelijk. Zijn lokale succes is dus waarschijnlijk een combinatie van passend habitat en een gunstige populatieontwikkeling buiten Meijendel.8
De Graspieper: een open landschap zonder duidelijke winst
De Graspieper daarentegen zakte in dezelfde 27 kavels van gemiddeld 26,0 naar 21,5 territoria. Onderzoek in Meijendel vond aanwijzingen dat voedsel bij deze soort kan knellen: de gewichten van jongen binnen hetzelfde nest gingen later in het seizoen sterker uiteen. De onderzoekers noemden dat een hypothese, geen bewezen keten. Vergelijkbaar onderzoek aan Roodborsttapuiten in het Noord-Hollands Duinreservaat vond jongen in goede conditie, stabiele voerfrequenties en geen langere foerageerafstanden later in het seizoen.56
De Tapuit: veel eisen moeten tegelijk kloppen
Voor de Tapuit - een typische duinvogel volgens de Habitatrichtlijn - was de uitkomst ontnuchterend: van 1,1 territorium in het vroege venster naar nul in het late. De soort loopt over de grond naar zijn prooien en heeft lage, kruidenrijke vegetatie nodig, maar ook voldoende grote insecten gedurende het hele broedseizoen en meestal een konijnenhol als nestplaats. Landelijk kromp de populatie van ruim tweeduizend paren rond 1980 tot minder dan vijfhonderd sinds de eeuwwisseling. Het recente lichte landelijke herstel zit vooral in overgebleven bolwerken; herkolonisatie van verlaten vastelandsduinen is schaars.9
De Tapuit maakt bovendien helder zichtbaar waarom oppervlakte alleen tekortschiet. Een nieuw open vlak in Meijendel kan vegetatief geschikt lijken, terwijl de dichtstbijzijnde bronpopulatie ver weg ligt, konijnenholen ontbreken, de bodem door begrazing te compact is of het voedselweb een gat vertoont in juni. De Boomleeuwerik kan op hetzelfde vlak floreren. Beiden “open-duinvogel” noemen is administratief wellicht terecht, maar ecologisch zijn ze niet vergelijkbaar.
Deel 4
Voedsel, konijnen, tijd en predatie
Vier verklaringen worden vaak genoemd voor het uitblijven van breed herstel. Ze sluiten elkaar niet uit en werken waarschijnlijk op verschillende soorten en plekken anders uit.
1. Voedsel: niet alleen hoeveel, ook wanneer en welk
Voor een broedvogel telt niet de totale insectenbiomassa van een zomer, maar of hanteerbare prooien op het juiste moment en binnen rendabele vlieg- of loopafstand beschikbaar zijn. Tapuiten voeren hun jongen onder meer met kevers en rupsen. In ogenschijnlijk geschikte maar verlaten delen was de bodemfauna minder divers en ontbrak mogelijk een opeenvolging van prooien door het seizoen.4
2. Konijnen: kleine grazers met een groot gevolg
Het proefschrift Rabbits Rule gebruikt tientallen jaren vegetatieopnamen en exclosures in Meijendel. De hoofdconclusie is dat fluctuaties en vooral de afwezigheid van konijnen de successie sterker stuurden dan de geïntroduceerde runderen en paarden. Konijnen houden graslanden kort, eten selectief jonge struiken, maken open zand en leveren nestholen. Grote grazers nemen een deel van die functies over, maar niet alle en kennen bovendien uitgesproken nadelen. Van der Hagen vond binnen elf tot negentien jaar geen (!) significant effect van de veestapel op de onderzochte graslandklassen.3
3. Tijd: herstel begint niet bij nul
Een habitat kan sneller verdwijnen dan een gemeenschap terugkeert, iets waar in het artikel op wordt gehint. Na verlies kunnen vogels nog jaren blijven hangen; na herstel moeten planten, insecten en vogels het gebied opnieuw koloniseren. Ecologen spreken van een uitstervingsschuld en een kolonisatiekrediet. Een uitblijvende biodiversiteitsreactie betekent niet automatisch dat beheer mislukt is, maar dat er tussenstappen nodig zijn en moeten worden gemeten: bodemontwikkeling, prooien, voortplanting en vestiging.10
In Meijendel is zo’n vertraging plausibel, maar niet bewezen. Voor sommige soorten is de regionale bronpopulatie inmiddels zo klein dat “wachten” alleen weinig zal opleveren. De Boomleeuwerik kon juist putten uit een landelijk groeiende populatie. Dezelfde nieuwe hectares bieden dus niet iedere soort dezelfde kolonisatiekans.
4. Predatie: onderdeel van het systeem, mogelijk plaatselijk begrenzend
De Vos vestigde zich rond 1968 in de Hollandse duinen. Lokaal onderzoek beschreef duidelijke gevolgen voor meeuwenkolonies en een lager voortplantingssucces van eenden en andere grondbroeders. Hetzelfde onderzoek concludeerde dat de vossenpopulatie in Meijendel rond de eeuwwisseling natuurlijk werd begrensd door voedsel.11 Dat maakt predatie relevant voor grondbroeders, maar nog niet tot hoofdoorzaak van iedere achteruitgang. Nestdekking, open zicht, recreatie, prooidichtheid en de aanwezigheid van alternatieve prooien bepalen mede hoe kwetsbaar een vogel is. Zonder soort- en kavelspecifieke gegevens over nesten en jongen kan de broedvogelreeks het aandeel van predatie niet schatten.
Deel 5
Herstel meten aan functies
De paradox verdwijnt zodra “open” niet meer wordt behandelt als de allesbepalende factor. Meer lage vegetatie en kaal zand zijn noodzakelijke bouwstenen, maar het resultaat moet worden getoetst aan functies. Stuift er kalkrijk zand over ouder grasland? Ontstaat een mozaïek van kale bodem, korte kruiden, hogere graspolletjes en verspreide opslag? Keren karakteristieke insectengroepen terug? Zijn er holen en veilige nestplekken? Brengen vogels voldoende jongen groot? En bereiken soorten uit bestaande bolwerken het gebied?
Niet genoeg als eindmaat
- Hectares open terrein
- zegt weinig over structuur, voedsel en verbinding
- Aantal soorten
- kan stabiel blijven terwijl karakteristieke soorten verdwijnen
- Eén habitatgroep
- kan door één winnaar een misleidend positief beeld geven
Wel samen
- Proces
- verstuiving, konijnenactiviteit en vegetatiemozaïek
- Voedselweb
- prooien door het hele broedseizoen, niet één biomassameting
- Vogelrespons
- vestiging, broedsucces en trend per soort en kavel
Het antwoord op de vraag in de titel is daarmee meervoudig. Sommige vogels kwamen wél: de Boomleeuwerik zelfs spectaculair. Andere soorten reageerden niet, omdat open oppervlakte niet automatisch dezelfde habitatkwaliteit terugbrengt, omdat voedsel en nestplaatsen soortspecifiek zijn, omdat bronpopulaties verdwenen en omdat herstel tijd kost.
De meest bruikbare conclusie is ook de meest veeleisende: herstel betekent een werkend en gevarieerd duin. Beoordeel succes niet aan de winnaar die het groepsgemiddelde optilt, maar aan de vraag of meerdere karakteristieke soorten opnieuw hun hele levenscyclus kunnen voltooien.
Bronnen en methode
- Vogelwerkgroep Meijendel. Stand database dd. 22 juli 2026: 70.895 territoriumregels uit 1958–2025. Eigen analyse met 27 ruimtelijk gepaarde kavels voor 1997–2001 versus 2018–2022 en 13 gepaarde kavels voor 1958–1962 versus 2021–2025. Een kavel moest in beide vensters minimaal vier van vijf jaren zijn geteld. Jaarmiddelen zijn eerst per kavel berekend. Habitatgroepen volgen de tabel BGgroup. De Aalscholver is uit de gemeenschapssom weggelaten; de soortanalyse gebruikt onbewerkte territoriumaantallen.
- Schmidt-Tauscher, S. e.a. (2025). Changes in land cover and bird community composition in a Dutch coastal Dune landscape – a two-decade analysis. Biodiversity and Conservation 34, 4715–4743.
- Van der Hagen, H.G.J.M. (2022). Rabbits Rule: Evaluating livestock grazing in coastal sand dunes of Meijendel, the Netherlands. Proefschrift, Wageningen University.
- Nijssen, M. e.a. (2010). Knelpunten voor duinfauna. Directie Kennis en Innovatie / OBN.
- Van Oosten, H.H. (2016). Limitaties voor insectivore vogels in het duinvoedselweb – Vooronderzoek 2016 Meijendel. Oenanthe Ecologie.
- Van Oosten, H.H. (2021). Insecten als spil voor zangvogeldiversiteit van open droge duinen. Oenanthe Ecologie.
- OBN Natuurkennis. N08.02 Open duin: verstuiving, begrazing en faunakwaliteit. Geraadpleegd 22 juli 2026.
- Sovon Vogelonderzoek Nederland (2024). Kerninformatie A246 Boomleeuwerik broedvogel.
- Sovon Vogelonderzoek Nederland. Onderzoek naar de Tapuit en landelijke soortinformatie. Geraadpleegd 22 juli 2026.
- Watts, K. e.a. (2020). Ecological time lags and the journey towards conservation success. Nature Ecology & Evolution 4, 304–311.
- Mulder, J.L. e.a. (2002). De vos, natuurlijk onderdeel van het duinecosysteem. Holland’s Duinen 40, 53–62.