Runderen in een open, bloemrijk duinlandschap
Verhalen uit Meijendel

Wie houdt het duin open?

Broedvogels tussen struweel, konijnen en grote grazers

Uit Holland's Duinen 60 (2012) · fotograaf niet vermeld

Paarden en runderen moesten het dichtgroeiende duin weer lucht geven. Maar wat betekent dat voor een Fitis in de ondergroei, een Kleine karekiet langs het water of een Nachtegaal die dekking én open foerageergrond nodig heeft? Bijna veertig jaar onderzoek in Meijendel levert geen eenvoudig oordeel op. Wel ontstaat een steeds scherper beeld van een landschap waarin graasdruk, konijnen, struweel, water en vogels voortdurend op elkaar inwerken. Broedvogels staan daarbij niet allemaal letterlijk bovenaan de voedselketen, maar hun gemeenschap vormt wel een zichtbare eindtoets van de onderliggende ecologische processen.

Deel 1

Waarom grote grazers naar Meijendel kwamen

Een duin dat steeds dichter werd

Het open duin van Meijendel is geen vast decor. Wind, stuivend zand, konijnen, voedselarme bodem en menselijke ingrepen bepaalden samen hoe laag of hoog de begroeiing werd. In de tweede helft van de twintigste eeuw veranderde dat evenwicht. Open zand was langdurig vastgelegd, atmosferische stikstof voedde snelgroeiende grassen en twee virusziekten brachten de konijnenstand zware slagen toe. Het duin vergraste en op veel plaatsen breidden struweel en bos zich uit.3

Juist konijnen hadden eeuwenlang een bijzondere rol. Ze grazen kort, maken kale plekjes, graven in de bodem en houden zo op kleine schaal steeds nieuwe overgangen in stand. Toen hun aantallen instortten, zocht de beheerder naar een vervanger die grote oppervlakten kon openhouden. Begrazing met vee was relatief betaalbaar, zichtbaar en stuurbaar.

Paarden en runderen als beheersmaatregel

Op 29 september 1990 werden Noorse fjordenpaarden losgelaten in Kijfhoek-Bierlap. Kort daarna volgden Gallowayrunderen. Eind 1991 werd het begraasde gebied uitgebreid naar de Helmduinen. De dieren waren geen doel op zichzelf. Ze moesten de vegetatiestructuur gevarieerder maken: niet overal kort, maar een fijn mozaïek van lage begroeiing, hogere kruiden, struweelranden en open zand.14

Kaart van de begrazingsgebieden Helmduinen, Kikkervalleien en Kijfhoek-Bierlap
De gebieden waar de begrazing begon: Kijfhoek-Bierlap, Helmduinen en later de Kikkervalleien. Bron: Van der Hagen (2012), Holland's Duinen 60, figuur 1.

Voor broedvogels was de verwachting aantrekkelijk: meer overgangen tussen lage en hoge vegetatie zouden meer soorten kansen bieden. Tegelijk lag vanaf het begin een risico op de loer. Vee eet niet alleen gras, maar gebruikt ook oevers, loopt door de ondergroei en maakt vaste paden. Een maatregel die geschikt foerageergebied maakt, kan dus op dezelfde plek dekking of nestgelegenheid verminderen. Pas als bodem, planten, ongewervelden, nestplaatsen en rust samen functioneren, kan een vogelgemeenschap duurzaam profiteren.

Deel 2

Wat de broedvogeltellingen lieten zien

De eerste signalen uit het veld

De jaarlijkse broedvogeltellingen maakten het mogelijk om al vroeg verschillen te signaleren. In de eerste jaren keerde de Boompieper niet terug in het begraasde centrale gebied, terwijl de soort elders toenam. Voor de Nachtegaal werd in verscheidene begraasde kavels een lichte achteruitgang genoteerd. Bij de Fitis was aanvankelijk geen duidelijk verschil zichtbaar. Waarnemers vermoedden bovendien dat vee in oeverzones een rol kon spelen bij het verdwijnen van broedmogelijkheden voor de Geoorde fuut.8

Dat waren waardevolle aanwijzingen, maar nog geen bewijs. Vogelpopulaties veranderen ook door weer, omstandigheden in overwinteringsgebieden, predatie, waterbeheer, landelijke trends en toevallige schommelingen. De kernvraag was daarom niet welke anekdote het overtuigendst klonk, maar of de ontwikkeling in begraasd gebied aantoonbaar afweek van vergelijkbaar onbegraasd gebied.

Een voorzichtige vergelijking

In 2001 publiceerde T. van der Niet de eerste formele evaluatie. Hij vergeleek de periode vóór begrazing, 1985–1990, met 1991–1999. Van de 108 aanwezige soorten waren er 35 talrijk genoeg voor een statistische analyse. Het totale aantal soorten in het begraasde gebied nam na 1991 licht af, maar dit verschil was niet significant.2

Vijf soorten ontwikkelden zich in het begraasde gebied significant gunstiger dan in het onbegraasde gebied: Kauw, Ekster, Wilde eend, Houtduif en Vlaamse gaai. Vier soorten deden het significant ongunstiger: Kleine karekiet, Kneu, Nachtegaal en Fitis. Ook bij andere rietvogels en soorten die op of vlak boven de bodem broeden wees de richting van de verandering op mogelijke gevoeligheid.

De uitkomst was opmerkelijk. De winnaars vormden geen duidelijke groep van typische open-duinvogels. Kraaiachtigen konden mogelijk profiteren van voedsel in en rond mest. Bij rietvogels was afname van rietland een plausibele verklaring. Voor Nachtegaal, Fitis en Kneu kon aantasting of verstoring van de ondergroei een rol spelen. Maar de studie kon een direct oorzakelijk effect van begrazing niet bewijzen. Juist zeldzame soorten die mogelijk van open duin zouden profiteren, zoals Tapuit en Veldleeuwerik, kwamen in te lage aantallen voor om statistisch mee te nemen.

De belangrijkste les uit 2001

Een verschil tussen begraasd en onbegraasd gebied is nog geen bewezen begrazingseffect. De onderzochte kavels verschilden ook vóór 1991 en andere landschapsprocessen liepen tegelijk door. De publicatie koos daarom terecht voorzichtigheid als motto.

Deel 3

Van vegetatiemozaïek naar voedselweb

Niet iedere grazer maakt hetzelfde landschap

Latere evaluaties bevestigden dat “begrazing” geen eenduidige behandeling is. Runderen, paarden en schapen eten en lopen verschillend. Jaarrondbegrazing werkt anders dan seizoensbegrazing en één grootvee-eenheid per twaalf hectare is niet hetzelfde als één per achttien hectare. Ook kalkrijkdom, vocht, reliëf en uitgangsvegetatie bepalen het resultaat.35

De evaluatie na twintig jaar liet zien dat de vegetatiestructuur gevarieerder werd en dat sommige graslandvegetaties en paddenstoelen profiteerden. Tegelijk gingen enkele rietvogels en soorten die dicht bij de bodem broeden achteruit. Het landelijke OBN-onderzoek uit 2014 vond eveneens geen universeel effect: reacties verschilden per vogelgroep, duinzone, graasvorm en graasdruk. Gemiddeld waren de effecten voor vogels van open vegetatie en hoog struweel licht negatief, terwijl soorten van laag struweel gemengd reageerden. Plaatselijk kon begrazing gunstig zijn, maar verstoring, nestverlies en veranderingen in prooiaanbod konden het voordeel weer tenietdoen.5

Een open duin is nog geen vogelrijk duin

Begrazing verlaagt doorgaans de vegetatie en vermindert strooisel. Daardoor worden warme, open plekken en sommige bodembewonende prooien beter bereikbaar. Maar dezelfde ingreep kan bij een hogere of gelijkmatig verdeelde graasdruk de variatie in vegetatiehoogte verkleinen, bloemen en ruigere schuilplekken doen verdwijnen en detritivoren zoals pissebedden en miljoenpoten terugdringen. In het landelijke OBN-onderzoek reageerden broedvogels van open duin gemiddeld zelfs negatief op de introductie van grote grazers; de uitkomst verschilde sterk per graasvorm en soort.9

Het langlopende BACI-onderzoek in de Vallei van het Veen op Vlieland laat de omslag zien. Langdurige extensieve begrazing maakte de vegetatie aanvankelijk lager en gevarieerder en vergrootte de diversiteit van planten en loopkevers. Na een sterke toename van de veebezetting verdwenen vrijwel alle nauwelijks begraasde plekken en namen de diversiteit van planten en loopkevers weer af. De onderzoekers konden het effect van de hogere graasdruk niet volledig scheiden van de extreem droge zomer van 2018, maar adviseerden wel de veebezetting te verlagen en grotere weinig of niet begraasde refugia te behouden.1011

Ook open zand heeft pas waarde als het deel uitmaakt van een werkend voedselweb. Onderzoek aan kleinschalige verstuiving vond in Meijendel bij actieve overstuiving een hogere biomassa van ongewervelden, vooral van grotere prooien. De winst voor plantkwaliteit en vegetatiebewonende fauna verdween tien tot vijftien jaar nadat de verstuiving stabiliseerde. Tegelijk vragen oude duingraslanden met een rijke bodem- en paddenstoelengemeenschap juist continuïteit en een intacte grasmat. Een functioneel mozaïek bevat daarom naast kaal zand en korte vegetatie ook bloemrijke kruiden, ruigere strooiselplekken, struweelranden, vochtige zones en ruime refugia.1213

Konijnen zijn niet zomaar te vervangen

De dissertatie Rabbits Rule uit 2022 plaatste de rol van het vee in een breder perspectief. Bij de lage dichtheid die in Meijendel gebruikelijk was — ongeveer 0,06 tot 0,07 grootvee-eenheid per hectare per jaar — konden veranderingen in de vegetatie niet hoofdzakelijk aan het vee worden toegeschreven. De afname van konijnen, veranderende stikstofdepositie, klimaat, het stoppen met helmplant en de levenscyclus van struweel liepen door elkaar heen. Grote grazers kunnen konijnen daarom niet één op één vervangen.6

Overgang van struweel naar open vegetatie bij een Nachtegaalnest in Kijfhoek-Bierlap
Nachtegaalhabitat in Kijfhoek-Bierlap: nestdekking in de rand van struweel, met open vegetatie dichtbij. Foto uit Van Oosten (2025), Holland's Duinen 86, figuur 4.

De Nachtegaal laat de gulden middenweg zien

Een verkenning uit 2025 maakt de ruimtelijke puzzel tastbaar. Nachtegalen nestelen in dichte ondergroei, vaak onder meidoorn of in brandnetels, maar zoeken een deel van hun voedsel in korte, open vegetatie. Lichte begrazing kan zandige, kortgegraasde plekken en aantrekkelijke foerageerlocaties maken. Wordt de graasdruk te hoog, dan verdwijnt juist de kruidlaag die dekking en nestgelegenheid biedt.

De beste situatie is dus niet maximaal open of maximaal dicht. Het gaat om nabijheid: struweel om te broeden, open en insectenrijke plekken om voedsel te zoeken, en voldoende rust. Van Oosten noemt dat voor de Nachtegaal een gulden middenweg — niet te weinig begrazing en niet te veel.7 Die formulering vat ook de bredere les samen. Begrazing werkt niet voor “de broedvogels” als één groep; de uitkomst hangt af van de schaal waarop elke soort dekking, voedsel en nestplaats combineert.

Volledige ecologische gradiënten ontstaan bovendien niet snel en niet op ieder klein oppervlak. Onderzoek naar kust- en duinontwikkeling benadrukt dat complexe landschappen voldoende ruimte, natuurlijke processen en tientallen jaren ontwikkeling vragen. Begrazing is daarin één stuurmiddel, naast verstuiving, hydrologie, maaien, opslag verwijderen en de eigen dynamiek van konijnen.14

Deel 4

Vogels als eindtoets van het beheer

Niet sturen op openheid alleen

Broedvogels zijn geen losse aanvulling op een vegetatie-evaluatie. Hun territoria vatten samen of nestdekking, voedsel, microklimaat, water, rust en bereikbaarheid op landschapsschaal voldoende op elkaar aansluiten. Een beheermaatregel is daarom niet geslaagd zodra het gras korter is of het oppervlak open zand groeit. De eindvraag is of meerdere kenmerkende vogelsoorten er hun volledige broedcyclus kunnen volbrengen.

Dat vraagt om adaptief beheer. Laat naast intensiever begraasde delen ook ruime licht begraasde en onbegraasde zones bestaan, bescherm kwetsbare nestgebieden en pas de veebezetting aan de jaarlijkse biomassaproductie, droogte en konijnenstand aan. Gebruik geen getal uit Vlieland als norm voor Meijendel: kalkrijkdom, productiviteit, grazer, seizoen en uitgangsvegetatie verschillen. Combineer begrazing waar nodig met kleinschalige verstuiving, maaien of gericht verwijderen van opslag, maar ontzie oude graslanden en andere plekken waar stabiliteit zelf een natuurwaarde is.

De ecologische eindtoets

Behoud niet alleen hectares open duin, maar de samenhang tussen open zand, kruiden, strooisel, struweel, vochtige plekken en rust. Meet vervolgens of vogels van open duin, ruigte, riet en struweel daar duurzaam op reageren. Eén winnaar kan niet aantonen dat het hele voedselweb is hersteld.

Van maatregel naar meetbare blootstelling

De broedvogeldatabase van Meijendel is uitzonderlijk rijk. Vrijwilligers legden sinds 1958 per kavel en per jaar territoria vast. Daardoor kunnen ontwikkelingen over tientallen jaren worden gereconstrueerd. Maar voor een betrouwbare analyse van begrazing is een tweede tijdreeks nodig: waar liepen welke dieren, wanneer, in welke aantallen en onder welk regime?

Een enkele aanduiding “begraasd” is ecologisch te grof. Relevant zijn per kavel en jaar ten minste de begin- en einddatum, soort en aantal grazers, omgerekende graasdruk, jaarrond- of seizoensbeheer, verplaatsingen en tijdelijke uitsluitingen. Ook overlappende maatregelen — maaien, plaggen, opslag verwijderen, verstuiving herstellen en wijzigingen in waterbeheer — moeten worden vastgelegd. De Vlielandse monitoring laat zien waarom een nulmeting en vergelijkbare onbegraasde delen nodig zijn om begrazing te onderscheiden van successie, grondwater en weer.10

Wat daarmee mogelijk wordt

Met zo'n beheerreeks kan worden onderzocht of effecten direct of vertraagd optreden en of rietvogels, grondbroeders, struweelvogels en open-duinvogels ieder een eigen optimum hebben. Koppel de vogelreeks daarbij aan een compacte keten van procesinformatie: vegetatiestructuur en nestdekking, bloemen en zaden, relevante ongewervelde prooien, konijnen, droogte en hydrologie. Dan worden broedvogels werkelijk de samenvattende uitkomst van het duinbeheer, zonder te suggereren dat territoriumaantallen alleen iedere oorzaak kunnen aanwijzen.

De exacte begrazingsinformatie heeft daarom belangrijke ecologische waarde voor het bepalen van de effecten op de broedvogels in Meijendel. Zonder deze ontbrekende schakel kan het rijke vogelarchief verschillen laten zien en hypotheses aanscherpen, maar blijft een betrouwbare uitspraak over oorzaak, dosis en timing buiten bereik. Met die gegevens kan de beheerder de langjarige vogeltellingen gebruiken waarvoor ze bij deze maatregel het meest waardevol zijn: als eindtoets van een volledig functionerend duinlandschap.

Bronnen

  1. Van der Hagen, H.G.J.M. (1992). Monitoring van begrazing in Meijendel. Meijendel Mededelingen 23, 51–64.
  2. Van der Niet, T. (2001). Voorzichtigheid motto bij begrazingsevaluatie van broedvogels. Holland's Duinen 38, 57–65.
  3. De Waard, G. & H.G.J.M. van der Hagen (2008). Integrale begrazing door vee in Meijendel. Holland's Duinen 51, 4–21.
  4. Van der Hagen, H.G.J.M. (2012). Twintig jaar paarden en koeien in Meijendel, een panacee voor alle kwalen? Holland's Duinen 60, 15–25.
  5. Van Oosten, H. et al. (2014). Begrazingsbeheer in relatie tot faunagemeenschappen in droge duinen. OBN-rapport 2014/OBN190-DK, Directie Agrokennis, Ministerie van Economische Zaken.
  6. Van der Hagen, H.G.J.M. (2022). Rabbits Rule: Evaluating livestock grazing in coastal sand dunes of Meijendel, the Netherlands. Proefschrift, Wageningen University.
  7. Van Oosten, H. (2025). Een verkenning van relaties tussen Nachtegalen en beheer in Meijendel. Holland's Duinen 86, 44–48.
  8. Oppentocht, J.P. (1995). Broedvogels 1993. Meijendel Mededelingen 28.
  9. Van Oosten, H., A. Kooijman, C. van Turnhout, J. Dekker, A. van den Burg & M. Nijssen (2013). Begrazingsbeheer in relatie tot herstel van faunagemeenschappen in de duinen. Eindrapportage 1e fase 2009–2011. Rapport 2013/OBN163-DK, Directie Agrokennis, Ministerie van Economische Zaken.
  10. Nijssen, M. & E. Remke (2017). Monitoring effecten duinbegrazing Vallei van het Veen – Vlieland. Status van proefvlakken en exclosures. Monitoring OBN-15-DK, VBNE.
  11. Nijssen, M., L. Kuiters, N. Smits, H. Kramer, J. Kuper, J. Brouwer & J. Vogels (2020). Langetermijneffecten van extensieve duinbegrazing in kalkarme kustduinen. Rapport 2020/OBN234-DK, VBNE.
  12. Aggenbach, C., M. Nijssen, A. Kooijman, B. Arens, Y. Fujita & M. van Til (2020). Kleinschalige verstuivingen in kustduinen (1): effecten op vegetatie en fauna van duingraslanden. De Levende Natuur 121(2), 48–53.
  13. Antheunisse, A.M. et al. (2025). Behoud van biodiversiteit in oude duingraslanden. Vegetatie, mycoflora en bodemleven. Rapport 2025/UPN-2022-009-DK, Kennisnetwerk OBN.
  14. Leenders, J.K., S.I. de Lange, S.M. Arens & A.M. Antheunisse (2026). Kustontwikkeling en duinnatuur: inzichten en mogelijkheden van zeewaartse kustuitbreiding en natuurontwikkeling. Landschap 43(1), 29–39.

De afbeeldingen zijn overgenomen uit de in de bijschriften genoemde documenten. Waar in de publicatie geen afzonderlijke fotograaf is vermeld, is die ook hier niet toegeschreven.