Terug naar groepen

Struiken en struwelen

Deze groepspagina hoort bij Ecologische vogelgroepen.

De ecologische vogelgroep Struiken en struwelen omvat broedvogels die afhankelijk zijn van een gevarieerde struikvegetatie. In Meijendel bestaat deze vooral uit duindoorn, meidoorn, wilde liguster, vlier en andere inheemse struiken. De dichte begroeiing biedt beschutting tegen predatoren, veilige nestgelegenheid en een rijk aanbod aan insecten en bessen. Daardoor behoren struwelen tot de vogelrijkste onderdelen van het duinlandschap.

De ontwikkeling van struwelen hangt nauw samen met de natuurlijke successie. Wanneer zandverstuiving afneemt, kunnen struiken zich vestigen en zich geleidelijk uitbreiden. In Meijendel is deze ontwikkeling in de afgelopen eeuw versterkt door veranderingen in de konijnenstand, een afgenomen zanddynamiek en een verhoogde beschikbaarheid van voedingsstoffen. Tegelijkertijd vormt struweel een belangrijk overgangsstadium tussen open duinen en duinbossen. Het natuurbeheer is daarom niet gericht op het volledig terugdringen of juist bevorderen van struweel, maar op het behouden van een gevarieerd landschap waarin verschillende successiestadia naast elkaar voorkomen.

De vogelsoorten van deze groep zijn afhankelijk van een gevarieerde vegetatiestructuur. Jong struweel biedt andere leefomstandigheden dan oude, gesloten struwelen of bosranden. Veel soorten foerageren in de struiken, terwijl zij voor hun voedsel ook gebruikmaken van aangrenzende open duinen of ruigten. Daardoor reageert deze vogelgroep niet alleen op de oppervlakte van het struweel, maar vooral op de structuur, leeftijd en variatie van de struikvegetatie.

Veranderingen in deze vogelgroep geven informatie over de voortgang van de natuurlijke successie. Een toename past vaak bij de ontwikkeling van jong of gevarieerd struweel. Een afname hoeft niet automatisch te betekenen dat de kwaliteit achteruitgaat; zij kan ook wijzen op de verdere ontwikkeling naar gesloten bos of op beheermaatregelen die zijn gericht op het herstel van open duinhabitats. De gezamenlijke trend laat daardoor vooral zien hoe het evenwicht tussen open en gesloten vegetaties zich ontwikkelt.

De bijna zeventigjarige broedvogelgegevens laten zien dat de uitbreiding van struweel een van de meest bepalende landschappelijke veranderingen in Meijendel is geweest. Veel karakteristieke struweelvogels hebben hiervan geprofiteerd, terwijl soorten van het open duin juist onder druk kwamen te staan. De grafiek weerspiegelt daarmee niet alleen de ontwikkeling van het struweel, maar ook de voortdurende wisselwerking tussen natuurlijke successie en natuurbeheer. Daardoor vormt deze vogelgroep een belangrijke indicator voor het functioneren van de overgang tussen open en gesloten delen van het duinlandschap.

Methodische kanttekening

Rond 1973 werd het geïnventariseerde gebied uitgebreid tot vrijwel geheel Meijendel. Daarnaast werd in 1984 de landelijke BMP-methode van Sovon ingevoerd. Veranderingen rond deze jaren kunnen daarom mede samenhangen met wijzigingen in het onderzoeksgebied en de telmethode. Bij vogelgroepen waarin meeuwen een belangrijk aandeel vormen, kan de grafiek rond de jaren zeventig en tachtig bovendien sterk zijn beïnvloed door de opkomst en het latere verdwijnen van de grote meeuwenkolonies. De langetermijnontwikkeling blijft echter goed bruikbaar voor ecologische interpretatie.

Meer weten?

De grafiek op deze pagina laat de ontwikkeling van de vogelgroep Struiken en struwelen in grote lijnen zien. Via het Dashboard kunnen leden en andere geïnteresseerden de onderliggende gegevens verder verkennen, bijvoorbeeld per soort, telgebied of periode. Voor onderzoekers biedt de Shiny-app uitgebreide mogelijkheden om trends statistisch te analyseren en relaties te onderzoeken met vegetatiestructuur, successie, natuurbeheer en landschapsontwikkeling.