Ruigten en zomen vormen de overgang tussen verschillende habitats. Ze bestaan uit hoge kruidenvegetaties die zich ontwikkelen langs bosranden, struwelen, vochtige duinvalleien, watergangen en open duinen. Anders dan graslanden worden deze vegetaties gedomineerd door soorten als koninginnenkruid, harig wilgenroosje, grote brandnetel en andere hoog opgaande kruiden. Hoewel zij vaak een tijdelijk karakter hebben, behoren ruigten en zomen tot de meest insectenrijke vegetaties van het duinlandschap. Natura 2000 beschermt dit habitattype vanwege zijn grote betekenis voor insecten, vogels en de samenhang tussen verschillende leefgebieden.
In Meijendel komen ruigten en zomen verspreid voor langs infiltratieplassen, vochtige duinvalleien, bosranden en struwelen. Hun oppervlakte en ligging veranderen voortdurend onder invloed van natuurlijke successie, waterbeheer, begrazing, maaibeheer en plaatselijke verstoring. Hierdoor vormen zij geen afzonderlijk landschap, maar een netwerk van overgangszones dat de verschillende Natura 2000-habitats met elkaar verbindt en de ecologische samenhang van het duinlandschap versterkt.
De vogelsoorten van deze habitatgroep profiteren van de combinatie van hoge kruiden, struiken en open delen. De rijke insectenfauna vormt tijdens het broedseizoen een belangrijke voedselbron, terwijl de dichte vegetatie beschutting biedt voor nesten en jongen. Veel soorten gebruiken ruigten bovendien als foerageergebied, ook wanneer zij in een aangrenzend habitat broeden. Daardoor weerspiegelt deze vogelgroep niet alleen de kwaliteit van de ruigte zelf, maar ook de samenhang tussen verschillende leefgebieden.
Veranderingen in deze vogelgroep geven informatie over de structuur en variatie van het landschap. Een afname kan wijzen op het doorgroeien van ruigten naar gesloten struweel of bos, op intensiever beheer of op het verdwijnen van bloemrijke overgangszones. Een toename kan juist samenhangen met de ontwikkeling van gevarieerde overgangen, herstel van vochtige vegetaties of een grotere insectenrijkdom. Omdat ruigten reageren op veel verschillende ecologische processen, vormt deze vogelgroep een indicator voor de landschappelijke diversiteit en ecologische samenhang van Meijendel.
De bijna zeventigjarige broedvogelgegevens laten zien dat ruigten en zomen voortdurend van plaats en omvang veranderen. Zij vormen een dynamisch onderdeel van het duinlandschap, waarin natuurlijke successie en beheer elkaar voortdurend afwisselen. De grafiek weerspiegelt daardoor niet één afzonderlijk habitat, maar de ontwikkeling van de ecologische verbindingen tussen open water, vochtige valleien, struwelen en bossen. Daarmee vervult deze habitatgroep een belangrijke rol als indicator voor de samenhang en kwaliteit van het Natura 2000-landschap als geheel.
Methodische kanttekening
Rond 1973 werd het geïnventariseerde gebied uitgebreid tot vrijwel geheel Meijendel. Daarnaast werd in 1984 de landelijke BMP-methode van Sovon ingevoerd. Veranderingen rond deze jaren kunnen daarom mede samenhangen met wijzigingen in het onderzoeksgebied en de telmethode. Bij habitat- en vogelgroepen waarin meeuwen een belangrijk aandeel vormen, kan de grafiek rond de jaren zeventig en tachtig bovendien sterk zijn beïnvloed door de opkomst en het latere verdwijnen van de grote meeuwenkolonies. De langetermijnontwikkeling blijft echter goed bruikbaar voor ecologische interpretatie.
Meer weten?
De grafiek op deze pagina laat de ontwikkeling van deze habitatgroep in grote lijnen zien. Via het Dashboard kunnen leden en andere geïnteresseerden de onderliggende gegevens verder verkennen, bijvoorbeeld per soort, telgebied of periode. Voor onderzoekers biedt de Shiny-app uitgebreide mogelijkheden om trends statistisch te analyseren en relaties te onderzoeken met vegetatieontwikkeling, natuurbeheer, hydrologie en andere omgevingsfactoren.