Terug naar groepen

H2160 – Duindoornstruwelen

Deze groepspagina hoort bij Habitat groepen (Natura 2000).

Duindoornstruwelen ontstaan wanneer de natuurlijke zandverstuiving afneemt en struiken zich geleidelijk kunnen vestigen. De duindoorn is daarbij de meest kenmerkende soort. Dankzij zijn diepe wortels, snelle groei en het vermogen stikstof te binden kan hij zich goed ontwikkelen op jonge kalkrijke duinen. Samen met soorten als meidoorn, wilde liguster en vlier vormt hij dichte, vaak doornige struwelen die een belangrijk onderdeel zijn van de natuurlijke successie in het kustlandschap. Natura 2000 beschermt dit habitattype vanwege zijn bijzondere flora en fauna én vanwege zijn rol als overgang tussen open duinen en duinbossen.

In Meijendel hebben duindoornstruwelen zich gedurende de afgelopen eeuw sterk uitgebreid. Minder zandverstuiving, veranderingen in de konijnenstand en een verhoogde beschikbaarheid van voedingsstoffen hebben ertoe geleid dat voormalige open duinen geleidelijk met struiken begroeid raakten. Vanuit ecologisch oogpunt is dat een natuurlijk proces. Tegelijkertijd kan een sterke uitbreiding van duindoornstruweel ten koste gaan van de open grijze duinen, die eveneens een belangrijk Natura 2000-habitat vormen. Het beheer in Meijendel is daarom niet gericht op maximale uitbreiding of juist volledige terugdringing van struweel, maar op het behouden van een gevarieerd landschap waarin verschillende successiestadia naast elkaar voorkomen.

De vogelsoorten van deze habitatgroep zijn afhankelijk van dichte, vaak doornige struiken waarin zij veilig kunnen broeden. De rijke insectenfauna, de beschutte nestgelegenheid en het grote aanbod aan bessen maken duindoornstruwelen tot een van de vogelrijkste habitats van Meijendel. Tegelijkertijd zijn veel van deze soorten gevoelig voor veranderingen in de structuur van het struweel. Jong, gevarieerd struweel biedt andere leefomstandigheden dan oude, gesloten struwelen of struweel dat geleidelijk overgaat in bos.

Veranderingen in deze vogelgroep geven daarom niet alleen informatie over de oppervlakte aan duindoornstruweel, maar vooral over de ecologische kwaliteit en structuur ervan. Een toename kan wijzen op de ontwikkeling van jong of gevarieerd struweel. Een afname hoeft niet automatisch te betekenen dat het habitattype verdwijnt; zij kan ook samenhangen met de verdere ontwikkeling naar gesloten duinbos of met beheermaatregelen die zijn gericht op het herstel van open duinhabitats. De vogelgroep vormt daarmee een indicator voor de plaats die duindoornstruwelen innemen binnen de voortdurende ontwikkeling van het duinlandschap.

De bijna zeventigjarige broedvogelgegevens laten zien dat de ontwikkeling van duindoornstruwelen nauw samenhangt met de veranderingen die Meijendel sinds het midden van de twintigste eeuw heeft doorgemaakt. De uitbreiding van struweel heeft verschillende karakteristieke broedvogels nieuwe mogelijkheden geboden, terwijl andere soorten juist afhankelijk bleven van het open duin. De grafiek weerspiegelt daardoor de voortdurende zoektocht naar een evenwicht tussen natuurlijke successie en het behoud van de verschillende Natura 2000-habitats. Juist die balans bepaalt de ecologische kwaliteit van het duinlandschap.

Methodische kanttekening

Rond 1973 werd het geïnventariseerde gebied uitgebreid tot vrijwel geheel Meijendel. Daarnaast werd in 1984 de landelijke BMP-methode van Sovon ingevoerd. Veranderingen rond deze jaren kunnen daarom mede samenhangen met wijzigingen in het onderzoeksgebied en de telmethode. Bij habitat- en vogelgroepen waarin meeuwen een belangrijk aandeel vormen, kan de grafiek rond de jaren zeventig en tachtig bovendien sterk zijn beïnvloed door de opkomst en het latere verdwijnen van de grote meeuwenkolonies. De langetermijnontwikkeling blijft echter goed bruikbaar voor ecologische interpretatie.

Meer weten?

De grafiek op deze pagina laat de ontwikkeling van deze habitatgroep in grote lijnen zien. Via het Dashboard kunnen leden en andere geïnteresseerden de onderliggende gegevens verder verkennen, bijvoorbeeld per soort, telgebied of periode. Voor onderzoekers biedt de Shiny-app uitgebreide mogelijkheden om trends statistisch te analyseren en relaties te onderzoeken met vegetatieontwikkeling, natuurbeheer, successie en andere omgevingsfactoren.