Grijze duinen ontstaan wanneer de zandverstuiving geleidelijk afneemt en een gesloten begroeiing van mossen, korstmossen, kruiden en lage grassen zich kan ontwikkelen. Ze behoren tot de soortenrijkste habitats van het Nederlandse duinlandschap en vormen het leefgebied van een groot aantal karakteristieke planten, insecten en broedvogels. Juist de afwisseling van open zand, lage vegetatie en kruidenrijke delen maakt grijze duinen uitzonderlijk waardevol voor de biodiversiteit. Binnen Natura 2000 behoren zij daarom tot de belangrijkste habitattypen van het kustduin.
Van nature besloegen grijze duinen een groot deel van Meijendel. Door natuurlijke successie, een afnemende zanddynamiek en een verhoogde stikstofdepositie zijn zij in de afgelopen decennia op veel plaatsen geleidelijk overgegaan in struweel en bos. Tegelijkertijd nam de verruiging en vergrassing toe, waardoor karakteristieke open-duinvegetaties plaatselijk onder druk kwamen te staan. Ook veranderingen in de konijnenstand hebben hierbij een belangrijke rol gespeeld. Konijnen hielden het duinlandschap lange tijd open door begrazing en graafactiviteiten. Om het karakter van de grijze duinen te behouden worden in Meijendel verschillende herstelmaatregelen toegepast, waaronder begrazing, het lokaal verwijderen van opslag en het herstellen van verstuiving. Deze maatregelen zijn erop gericht het karakteristieke mozaïek van open zand, kruidenrijke vegetaties en lage begroeiing te behouden.
De vogelsoorten van deze habitatgroep zijn aangepast aan een open landschap met een gevarieerde, maar lage vegetatie. Veel soorten foerageren op de bodem of zijn afhankelijk van een rijk insectenleven. Zij profiteren van een kleinschalige afwisseling van open zand, kruiden, lage struiken en verspreide vegetatie. Naarmate het landschap verder dichtgroeit met struweel of bos, verdwijnen voor veel van deze soorten geschikte broed- en foerageergebieden.
Veranderingen in deze vogelgroep geven daarom belangrijke informatie over de kwaliteit van het open duin. Een afname kan wijzen op vergrassing, verstruweling, verminderde zanddynamiek of een afnemende insectenrijkdom. Een toename kan juist samenhangen met herstel van open duin, een gevarieerder vegetatiemozaïek of succesvol beheer gericht op het terugdringen van verruiging. Omdat meerdere ecologische processen gelijktijdig optreden, vormt deze vogelgroep een integrale indicator voor de ontwikkeling van het open duinlandschap.
De bijna zeventigjarige broedvogelgegevens laten zien dat de grijze duinen gedurende de onderzoeksperiode ingrijpend zijn veranderd. De ontwikkeling verliep niet geleidelijk, maar werd beïnvloed door een samenspel van natuurlijke successie, veranderingen in de konijnenstand, stikstofdepositie en natuurbeheer. De grafiek weerspiegelt daarom niet één afzonderlijke milieufactor, maar de gezamenlijke ontwikkeling van de ecologische kwaliteit van het open duin in Meijendel. Juist daardoor behoort deze habitatgroep tot de belangrijkste indicatoren voor het volgen van de ontwikkeling van het duinlandschap.
Methodische kanttekening
Rond 1973 werd het geïnventariseerde gebied uitgebreid tot vrijwel geheel Meijendel. Daarnaast werd in 1984 de landelijke BMP-methode van Sovon ingevoerd. Veranderingen rond deze jaren kunnen daarom mede samenhangen met wijzigingen in het onderzoeksgebied en de telmethode. Bij habitat- en vogelgroepen waarin meeuwen een belangrijk aandeel vormen, kan de grafiek rond de jaren zeventig en tachtig bovendien sterk zijn beïnvloed door de opkomst en het latere verdwijnen van de grote meeuwenkolonies. De langetermijnontwikkeling blijft echter goed bruikbaar voor ecologische interpretatie.
Meer weten?
De grafiek op deze pagina laat de ontwikkeling van deze habitatgroep in grote lijnen zien. Via het Dashboard kunnen leden en andere geïnteresseerden de onderliggende gegevens verder verkennen, bijvoorbeeld per soort, telgebied of periode. Voor onderzoekers biedt de Shiny-app uitgebreide mogelijkheden om trends statistisch te analyseren en relaties te onderzoeken met vegetatieontwikkeling, natuurbeheer, stikstofdepositie en andere omgevingsfactoren.