Terug naar groepen

H2110 – Embryonale wandelende duinen

Deze groepspagina hoort bij Habitat groepen (Natura 2000).

Embryonale duinen vormen het jongste stadium van de natuurlijke duinvorming. Ze ontstaan op het strand wanneer de wind zand ophoopt rond pionierplanten zoals biestarwegras en zeeraket. Deze lage duintjes zijn voortdurend in beweging: stormen kunnen ze in korte tijd laten groeien, verplaatsen of weer laten verdwijnen. Embryonale duinen behoren tot de zeldzaamste Natura 2000-habitattypen en vormen het begin van de natuurlijke successie waaruit uiteindelijk witte duinen, grijze duinen, struwelen en duinbossen ontstaan.

In Meijendel komen embryonale duinen uitsluitend voor langs de zeereep. Hun oppervlakte is beperkt en verandert voortdurend onder invloed van wind, golfslag en zandaanvoer vanaf het strand. Anders dan veel andere habitattypen worden zij nauwelijks bepaald door vegetatiebeheer, maar vooral door natuurlijke kustprocessen. Om deze dynamiek te versterken zijn sinds 2015 op verschillende plaatsen kerven in de zeereep aangelegd. Via deze openingen kan tijdens stormen zand het achterliggende duingebied bereiken. Daarmee wordt niet alleen de vorming van nieuwe pioniermilieus gestimuleerd, maar ook het natuurlijke zandtransport naar de binnenduinen hersteld.

De vogelsoorten van deze habitatgroep zijn aangepast aan een open, vrijwel onbegroeid landschap. Zij broeden op of vlak boven het zand en zijn afhankelijk van een omgeving waarin natuurlijke verstuiving voldoende ruimte krijgt. Omdat dergelijke pioniermilieus langs de Nederlandse kust schaars zijn geworden, behoren verschillende karakteristieke soorten tot de kwetsbaardere broedvogels van het duingebied.

Veranderingen in deze vogelgroep geven vooral informatie over de mate waarin de natuurlijke kustdynamiek behouden blijft. Een afname kan wijzen op het verdwijnen van open zand door vastlegging van de zeereep of door natuurlijke vegetatieontwikkeling. Een toename kan juist samenhangen met nieuwe zandaanvoer of herstel van verstuiving, bijvoorbeeld als gevolg van de aanleg van kerven. Omdat embryonale duinen slechts een klein deel van Meijendel beslaan, blijven de aantallen broedvogels doorgaans laag en kunnen jaarlijkse schommelingen relatief groot zijn.

De langjarige vogelgegevens laten zien dat deze habitatgroep gedurende de gehele onderzoeksperiode een bescheiden aandeel heeft gevormd binnen de broedvogelgemeenschap van Meijendel. Daardoor moeten veranderingen in de grafiek met enige voorzichtigheid worden geïnterpreteerd. Op de lange termijn weerspiegelt deze vogelgroep vooral de beschikbaarheid van jong, open kusthabitat en de ruimte die natuurlijke kustprocessen krijgen. Daarmee vormt zij een indicator voor de natuurlijke dynamiek van de zeereep én het beginpunt van de landschappelijke ontwikkeling die uiteindelijk leidt tot de meer gesloten duinhabitats verder landinwaarts.

Methodische kanttekening

Rond 1973 werd het geïnventariseerde gebied uitgebreid tot vrijwel geheel Meijendel. Daarnaast werd in 1984 de landelijke BMP-methode van Sovon ingevoerd. Veranderingen rond deze jaren kunnen daarom mede samenhangen met wijzigingen in het onderzoeksgebied en de telmethode. Bij habitat- en vogelgroepen waarin meeuwen een belangrijk aandeel vormen, kan de grafiek rond de jaren zeventig en tachtig bovendien sterk zijn beïnvloed door de opkomst en het latere verdwijnen van de grote meeuwenkolonies. De langetermijnontwikkeling blijft echter goed bruikbaar voor ecologische interpretatie.

Meer weten?

De grafiek op deze pagina laat de ontwikkeling van deze habitatgroep in grote lijnen zien. Via het Dashboard kunnen leden en andere geïnteresseerden de onderliggende gegevens verder verkennen, bijvoorbeeld per soort, telgebied of periode. Voor onderzoekers biedt de Shiny-app uitgebreide mogelijkheden om trends statistisch te analyseren en relaties te onderzoeken met vegetatieontwikkeling, natuurbeheer en andere omgevingsfactoren.