Terug naar soorten

Kerkuil

Tyto alba Kerkuilen

Broedvogel
6jaren
11territoria
3hoogste jaar

2016 t/m 2025 · bron: Meijendel-database

Dichtheid per km2

Territoria per km²
Dichtheid

Dichtheid = territoria per jaar gedeeld door het Meijendel-oppervlak in dat jaar, volgens dezelfde berekening als de dashboardkeuze “Dichtheid per km2”.

Kerkuil
Kerkuil Foto: User:Alun Williams333 · CC BY-SA 4.0 Bron: Wikimedia Commons

Beschrijving

De Kerkuil is een standvogel, vooral herkenbaar aan het hartvormige gelaat. De onderste delen zijn net als dat gelaat wit, de bovendelen en de kruin prachtig goudbruin. De roep van de Kerkuil is een lange onheilspellende schreeuw.

Dit is de meest nachtelijke onder de uilen, gezichtsvermogen en gehoor zijn daarom goed ontwikkeld. Zijn nachtzicht is 100x beter dan dat van de mens. De gehooringangen staan asymmetrisch ten opzichte van elkaar in de kop waardoor de Kerkuil zelfs de zachtste geluiden in het pikkedonker kan peilen en lokaliseren. Dankzij deze uitstekende 'sensoren' en een geruisloze vlucht kan hij zijn prooi vrij gemakkelijk opsporen en vangen. Lees verder hieronder.

Deze uil woont in menselijke omgeving op het platteland. Daar jaagt hij voornamelijk op kleine zoogdieren, soms ook op vogeltjes en vleermuizen. Vaak gebruikte broedplaatsen zijn in kerktorens, oude schuren, ruïnes en soms een boomholte. Kerkuilen maken zelf geen nest, ze maken vaak gebruik van een platte ondergrond waar ze hun eieren tussen de braakballen neerleggen. In het nest komen 4-7 eieren te liggen, bij een groot voedselaanbod soms meer. Het vrouwtje broedt ze alleen uit terwijl het mannetje voedsel voor haar aansleept. De jongen worden door beide ouders gevoerd.

Taxonomie. Kerkuilen vormen de kleinste van de twee families binnen de orde der uilen (Strigiformes). Deze Kerkuil is bij ons de enige vertegenwoordiger in de familie 'Tytonidae'. Alle andere nederlandse uilen maken deel uit van de familie 'Strigidae'.

Het voedsel van de Kerkuil in het Nationale Park Hollandse Duinen.
In 'Hollands Duinen nr 73' verscheen een artikel over een onderzoek naar het (stapel)voedsel van de Kerkuilen in het Nationale Park. Hierna volgt een extract van de bevindingen m.b.t. uitsluitend Meijendel. Voor het volledige artikel wordt verwezen naar de site van Dunea (via deze link).

In het kader van het 5000-soorten project werden grote aantallen braakballen van de in het gebied gevestigde Kerkuilen onderzocht op aanwezige prooidieren. In de verzamelde uilenballen werden de schedelresten van elf soorten kleine zoogdieren vastgesteld, namelijk de Gewone bosspitsmuis, Dwergspitsmuis, Waterspitsmuis, Huisspitsmuis, Woelrat, Rosse woelmuis, Veldmuis, Bosmuis, Huismuis, Dwergmuis en Bruine rat. Vijf soorten, Huisspitsmuis, Veldmuis, Bosmuis, Rosse woelmuis en Gewone bosspitsmuis werden op alle locaties in de braakballen gevonden en vormden het overgrote deel van het dieet van de Kerkuilen in alle locaties. De overige soorten werden sporadisch of niet in de braakballen aangetroffen.

De samenstelling van prooisoorten in de braakballen van de Kerkuilen van Boerderij Meijendel, maar in mindere mate ook van de Watertoren doet vermoeden dat de Veldmuis, normaal gesproken een van het meest voorkomende stapelvoedsel van de Kerkuil in Nederland, tegenwoordig nog maar beperkt voorkomt in het duingebied. Het is aannemelijk dat een aanzienlijk deel van het aanvankelijke leefgebied van de veldmuis (open duingraslanden met vochtige duinvalleien) in de afgelopen decennia is verdwenen ten gunste van struweel en bosontwikkeling.

Voorkomen

Veel van de favoriete verblijfsplaatsen van de Kerkuil zijn opgeruimd. En ook de muizenbestrijding op het boerenland is effectief gebleken waardoor het voedselaanbod verslechterde en de stand van de Kerkuil sterk afnam. De Kerkuil stond daarom lange tijd op de Rode Lijst van Nederlandse broedvogels. Door effectieve beschermingsmaatregelen en het beschikbaarstellen van nestkasten is het aantal paren broedende Kerkuilen de laatste decennia weer toegenomen. Waren er in 1980 nog maar zo'n 100 paar, in 2010 waren dat er ca. 2500 en in 2016 steeg het aantal verder tot 3200-3400 broedparen (bron: zie vogel.asp r398). Sinds 2017 staat de soort niet langer op de Rode Lijst.

Sinds 2016 wordt een broedkast boven in het Dunea informatiecentrum De Tapuit bewoond door Kerkuilen. Tijdens het broedseizoen zijn de gebeurtenissen in de kast via webcams te volgen. Gebruik de knop linksboven om mee te kijken. (Als de knop er niet is, staan de webcams uit.)

Vogelkenmerken

Ecologische vogelgroepen: Zwarte Roodstaart-groep. Rode Lijst: geen. Oranje Lijst: geen. Vogelrichtlijn: geen

Achtergrond

De sensoren van de Kerkuil
De navolgende beschrijving van de 'sensoren' van de Kerkuil zijn goeddeels overgenomen van 'Beleef de Lente' bij VBNL.
"De Kerkuil kan bij heldere sterrenhemel en ook bij maanlicht heel goed zien (100 x beter dan wij). Een deel van het gezichtsveld wordt door beide ogen gezien (binoculair zicht). Hierdoor kan de uil de afstand tot de prooi inschatten. De grote ogen zitten onbeweeglijk in de oogkassen. De uil moet daarom de kop draaien als hij in een andere richting wil kijken. De Kerkuil presteert het zelfs om de kop 270 graden (driekwart!), zowel naar links als rechts te draaien, terwijl het lichaam roeloos op zijn plaats blijft.

Maar bij volslagen duisternis ziet ook een Kerkuil niets en moet hij zijn gehoor inschakelen om aan voedsel te komen. Geluiden die wij niet kunnen waarnemen, horen uilen wel. Aan de rand van de kopsluier bevinden zich grote ooropeningen met beweegbare oorkleppen die dienen als "richtmicrofoon". De rechter ooropenening ligt op ooghoogte, terwijl de linker opening 10-15 graden hoger ligt. Dat betekent dat het geluid een fractie van een seconde eerder in het ene oor aankomt dan in het andere. Zo kan de uil de beweging van een muis exakt volgen en weet precies waar deze zit.

Oren en ogen vormen tezamen een zeer verfijnd opsporingssysteem van deze nachtelijke jager!"

Bescherming

Midden jaren zestig was de Kerkuil nagenoeg uit ons land verdwenen. Er waren extreem strenge winters geweest, het landbouwgif DDT hoopte zich op in de voedselketen en het agrarisch land werd minder aantrekkelijk. Vrijwilligers pionierden met nestkasten, en dat bleek een groot succes. Daarnaast kwam er steeds meer aandacht voor de kwaliteit van het cultuurlandschap. De Kerkuil kwam er weer bovenop dankzij het vele werk van de vrijwilligers van de Stichting Kerkuilenwerkgroep Nederland en boeren die enthousiast meewerken aan nestgelegenheid en biotoopverbetering. Sinds 2017 staat de soort niet meer op de Rode Lijst van Nederlandse broedvogels (bron: Vogelbescherming Nederland ).

Mede dankzij de inspanningen van Vogelbescherming Nederland is een netwerk van kerkuilenbeschermers ontstaan met een landelijke dekking. Tot 2004 werd het werk gecoördineerd vanuit Vogelbescherming. Eind 2004 is het onder gebracht bij de Stichting Kerkuilenwerkgroep Nederland. Lees verder op de website van deze stichting.