Februaritelling 2025: Een 'winter-terug' -telling
28-2-2025
De winter keerde in februari terug maar manifesteerde zich in het telweekend gelukkig op redelijk aangename wijze: wel kou en (plaatselijk) ijs, maar droog. Het merendeel van de tellers beoordeelden de omstandigheden als (behoorlijk) gunstig. Toch was de vogeldichtheid deze maand (238 vogels/km2) voor de vijfde keer op rij op een dieptepunt-record. Er zijn 2.251 vogels gemeld (van 71 soorten) op een totaal geïnventariseerd oppervlak van 9,4 km² (27 kavels).
![]() |
| Totale vogeldichtheden per maand (in aantal vogels/km²); de resultaten vallen dit jaar vijf maal samen met de minima! |
Dat in februari ijs op het water lag, hoeft weinig verbazing te wekken. Het is immers hartje winter. Dat de dichtheid van de watervogels lager was dan in andere jaren, is daarmee verklaarbaar. Laagterecords waren er voor Fuut, Krakeend, Tafeleend, Kuifeend, Grauwe gans en Meerkoet maar ook bijna alle andere watervogels bleven onder de gemiddelde dichtheid van afgelopen tien jaar. Alleen Nonnetje en Grote zaagbek (de winter-eenden) kwamen bovengemiddeld uit.
Opmerkelijk telseizoen
Toch tekent zich dit jaar een uiterst opmerkelijk telseizoen af. Want na september (2024) is de berekende vogeldichtheid in Meijendel elke maand (!) op een ‘record-minimum’ van het afgelopen decennium uitgekomen (zie grafiek). En van heel veel vogelsoorten is komen vast te staan dat zij in dit seizoen telkens slechts een dichtheid beneden het gemiddelde van die van de maand bereikten. Trouwens ook het aantal waargenomen soorten zelf was de laatste 5 maanden lager dan het maandgemiddelde over het afgelopen decennium, al helemaal als we de Soepgans en de Soepeend buiten beschouwing zouden laten. (In dat geval komt het totaal aantal soorten deze keer slechts op 69 i.p.v. 71.)
Het zal toch niet zo zijn dat de duinvogelstand die van de weidegebieden achterna gaat?
![]() |
| Het dichtheidsverloop van de Boomleeuwerik vergeleken met de gemiddelde maandelijkse dichtheden in de afgelopen 17 jaar (in aantal vogels/km²). |
Boomleeuwerik blijft achter
Ook alwéér wordt de terugkomst van de winter aardig geïllustreerd in de uitkomst van de tellingen van de Boomleeuwerik. In januari was deze soort (nog) nauwelijks te verwachten (ook volgens SOVON; zie m’n vorige verslag) terwijl de maand februari juist bekend staat om diens ingezette stijgende dichtheid. Dit jaar lagen de uitkomsten in januari al vrij hoog maar in februari juist laag (zie grafiek).
Topdichtheden van de maand waren er voor de Smient, Waterral, Kleine bonte specht, Graspieper, Koperwiek en Putter. De Waterral blijkt trouwens dit gehele seizoen al opvallend aanwezig: als enige heeft deze soort in alle afgelopen maanden een bovengemiddelde dichtheid bereikt.
Zwarte roodstaart van Dunea-terrein
De wat mij betreft meest bijzondere waarneming was dit keer de Zwarte roodstaart, een mannetje in vol ornaat, in kavel 1B. De soort wordt weliswaar (vrijwel) jaarlijks gespot rond de bedrijfsgebouwen van Dunea bij de watertoren, maar de daar waargenomen exemplaren zijn voor heel Meijendel de enige van hun soort (terwijl er bijvoorbeeld heel wat Gekraagde roodstaarten jaarlijks in het broedseizoen in Meijendel vertoeven).
![]() |
Verder misschien aardig om nog te noemen: 2 Bokjes in kavel 13S, een IJsvogel in kavel 105, een Kuifmees in kavel 72 en ook weer eens wat (8) Glanskoppen, verdeeld over 5 kavels. Deze laatste zijn ook voor BMP (Broedvogel Monitoring Project) belangrijk om al vroeg in het seizoen te tellen; dan zijn ze vaak wat gemakkelijker waar te nemen. Tijdig beginnen met de BMP-tellingen is trouwens voor meerdere soorten raadzaam (Winterkoning, Ekster, Boomkruiper, Kleine bonte specht en bijvoorbeeld uilen). De zogenaamde ‘datumgrenzen’ zijn in de afgelopen decennia geleidelijk steeds vroeger komen te liggen. En een praktisch puntje daarbij: met een handige planning zijn BMP-tellingen en midmaand-tellingen bovendien goed te combineren.
Jan Westgeest (westgeest.jan@gmail.com)


