Januari: maand van de Houtsnip?

22-1-2024

Alvorens aan dit verslag te beginnen sloeg ik toevallig dat van vorig jaar januari open en meteen viel me op: bijzondere overeenkomsten! En als we toch even aan het terugkijken zijn: de tellingen van afgelopen november riepen de vraag op of het soms koud zou gaan worden in het noorden. Nou, dat fenomeen heeft ons intussen wel bereikt: uit Denemarken en Zweden kwamen bepaald ijzige berichten en zelfs tot diep in de Verenigde Staten (Texas) zijn arctische temperaturen doorgedrongen! Toch waren in januari onze totaalscores wel vrij hoog. De gemiddelde vogeldichtheid was: 441 vogels/km2 (maandgemiddelde over de laatste tien jaar: 386 vogels/km2). Het totale geïnventariseerde oppervlak bedroeg 10,8 km² (29 kavels) en er zijn 4784 vogels (75 soorten) gemeld.

Drieteenmeeuw (foto: Reinder de Boer)

Echt verwonderlijk zijn de overeenkomsten in de resultaten van januari-tellingen door de jaren heen natuurlijk niet. De zomergasten zijn weg, de grote pieken van de over- en doortrekkende vogelsoorten zijn voorbij, de wintervogels zijn gesetteld en de vogels die het risico nemen om te blijven overwinteren, hebben vast voldoende grip op hun situatie (zij kunnen altijd nog ‘even’ uitwijken naar Groot-Brittannië of NW-Frankrijk). Kortom, de verschillende vogelsoorten tonen in het algemeen ieder hun eigen aanwezigheidspatroon. Maar leuk is om wederom – net als vorig jaar – te kunnen melden dat de Houtsnip z’n hoogste januari-dichtheid liet zien (hoger zelfs dan vorig jaar!) en de Watersnip juist de laagste (lager dan vorig jaar). Ook was er opnieuw een Roodborsttapuit (kavel 17), maar écht bijzonder was toch dat er, net als vorig jaar, weer een Drieteenmeeuw is gespot (kavel 42; zie foto)! Dit dier kwam overigens niet over als ziek of gewond maar meer alsof ie uitgeput was, het vloog af en toe een rondje en had telkens bekijks van een tweetal Zilvermeeuwen (om na te gaan of ie al eetbaar was?), zo mocht ik vernemen.

Hoge dichtheden

Relatief hoge dichtheden-van-de-maand-januari waren er ook voor Grote zilverreiger, Wilde eend, Nonnetje (had in december ook al een maandrecord) en Graspieper. Maar de dichtheden van de Houtduif en de Merel sprongen het meest in het oog. De Houtduif bereikte een absolute topdichtheid over het hele afgelopen decennium (mogelijk wel met dubbeltellingen: in twee aan elkaar grenzende kavels werden elk op meer dan 300 individuen geteld). De Merel beleefde z’n hoogste januaridichtheid van de laatste tien jaren, ook al was het totale aantal niet spectaculair. Zou de virusziekte eindelijk op z’n retour raken?

Als meest opvallende ‘achterblijvers’ (naast de al genoemde Watersnip) zouden Krakeend en Meerkoet genoemd kunnen worden, maar hun dichtheidswaarden vallen eigenlijk toch ook weer niet echt buiten de normale spreiding.

Vermeldenswaardige bijzondere waarnemingen – naast de Drieteenmeeuw en de Roodborsttapuit – zijn wat mij betreft: de drie Kolganzen in kavel 10/12/76, de twee Bergeenden in kavel 7, de Smient in kavel 16, de vier Pijlstaarten in kavel 33, de Middelste zaagbekken (een in kavel 16 en een in 43) en de Pestvogel in kavel 64; en voor de liefhebbers bovendien: een IJsvogel in kavel 91!

Jan Westgeest (westgeest.jan@gmail.com)