Februaritelling 2023: Veel wind en grijze lucht

5-3-2023

De harde wind en het grijze zwerk zijn vaak genoemd bij de opmerkingen die onze tellers deze keer bij hun resultaten schreven. Wellicht hadden ook de vogels zelf last van deze weersomstandigheden. Relatief weinig lieten zich zien. De gemiddelde vogeldichtheid was – net als in de maand januari – laag: 311 vogels/km2. (Over de afgelopen 10 jaar was het gemiddelde voor februari 367 vogels/km2.) Er zijn 3.462 vogels gemeld (81 soorten, inclusief enkele ondersoorten) op een totaal geïnventariseerd oppervlak van 11,1 km² (33 kavels).  

Grafiek: het dichtheidsverloop van de Boomleeuwerik in het lopende seizoen, vergeleken met de gemiddelde maandelijkse dichtheden in de afgelopen tien jaar (in aantal vogels/km²)

Er is overduidelijk geen sprake van een koude winter. En antropocentrisch gedacht zou je kunnen zeggen dat de Boomleeuweriken de lente al voorzichtig beginnen te bejubelen. Hun vroege opkomst dit jaar (zie grafiek) is al zó opvallend dat SOVON bij het invoeren van de aangetroffen relatief hoge aantallen automatisch de vraag voorlegde of je wel zeker was van je telresultaat.

Hoge dichtheden voor de maand februari konden verder nog worden berekend voor de Canadese gans en de Slobeend. Van deze laatste soort is een grote groep van 200 individuen in kavel 17B aangetroffen. Ook de Grote lijster in kavel 42 was er al aardig vroeg bij. Maar echte toprecords zijn er voor deze telronde niet te melden.

Zorgelijk weinig

Wel zijn er soorten die in zekere zin een zorgelijk laag dichtheidsverloop laten zien. Voorbeelden zijn de Groene specht, de Merel, de Staartmees, de Glanskop en de Goudvink. De dichtheid van deze soorten is in (nagenoeg) alle afgelopen maanden nogal sterk achtergebleven op de gemiddelde waarde voor ieders dichtheid (berekend over het afgelopen decennium). En dit proces is eigenlijk al een paar jaar gaande. (De gemiddelde dichtheidswaarde is in die jaren trouwens ook zelf geleidelijk lager geworden.) Hopelijk is dit voor de tellers een goede reden om deze soorten in de komende tijd een beetje extra in de gaten te gaan houden.

Foto: Noordse kauw (foto Reinder de Boer)

Al eerder (in 2018/2019) hebben we vastgesteld dat ook de Ruigpootbuizerd een soort is die we al lange tijd niet meer gezien hebben tijdens onze najaars- en wintertellingen. De laatste keer dat die in onze teladministratie verscheen, was in oktober 2016. Buiten de specifieke data van onze tellingen wordt af en toe nog wel een enkel exemplaar gezien, zo blijkt uit naspeuringen op de site van waarneming.nl. Maar we kunnen ook hieraan gevoeglijk het epitheton ‘zorgelijk’ koppelen; het is immers niet ondenkbaar dat hier verschillende oorzaken aan ten grondslag liggen.

Opsteker

Tot slot toch nog een opsteker: er is een eervolle vermelding op z’n plaats. In kavel 42 is een Noordse kauw gesignaleerd. Ondanks het gegeven dat dit ‘slechts’ een ondersoort van de gewone Kauw betreft, mag de waarneming in meerdere opzichten best een bijzondere prestatie genoemd worden. Want het dier komt in onze contreien bepaald niet vaak voor en de waarnemer moet bovendien over voldoende geduld beschikken om zo’n exemplaar bij een groep kauwtjes te onderscheiden. Helemaal bewonderenswaardig is dat hij het dier bovendien op de gevoelige plaat heeft weten vast te leggen. Chapeau!! Zou dit nu ook een overwaaier in het grijze winderige weer kunnen zijn?

Jan Westgeest (westgeest.jan@gmail.com)