Februaritelling 2021: Houtsnippen en een waterpieper
23-2-2021
De winter viel precies in het telweekend. Of is het andersom: het telweekend viel precies in de winter? Hoe dan ook: veel sneeuw en ijs dit keer, zeker vergeleken met menig voorgaande winter. De vrij algemene stilte was minder verbazingwekkend, maar de vogeldichtheid was toch aan de hoge kant voor de maand februari. De watervogels moesten het hebben van wakken en plaatsen van waterinlaat. Hier zijn de resultaten van 23 (vnl. water-)kavels: op 8,4 km2 zijn 3202 vogels van 73 soorten aangetroffen. De gemiddelde dichtheid bedroeg 380 vogels/km2.
| Vliegende Lepelaar (foto: Louis Westgeest) |
Deze keer bestaat het verslag vooral uit de beschrijving van eigen telbelevenissen. Stevig gekleed tegen de kou en goed geschoeid tegen mogelijke gladheid kon ik de beide grillen van de natuur eigenlijk prima aan. In alle vroegte vroor het niet te streng en er was niet of nauwelijks wind. De stilte was nog sereen, al kraakte de sneeuw onder de schoenen wel hinderlijk luid. Plotseling vlogen er bij het eerste daglicht 4 Lepelaars uit de bomen voor me. Ik kon m’n ogen bijna niet geloven, maar gelukkig draaiden ze nog een klein rondje voordat ze in zuidelijke richting wegvlogen. Het waren echt Lepelaars! Mijn telling en de ochtend konden niet meer stuk!
De grote plas, waarop ’s winters normaal gesproken minstens honderd meerkoeten rondpeddelen, was nagenoeg geheel dichtgevroren; alleen middenop was er een wak van niet meer dan één vierkante meter. Hierin concurreerden zegge en schrijve één Meerkoet en twee Dodaarzen om een eigen plekje; toch ook een heel bijzonder beeld! (Ik hoop dat ik verder niet teveel met mijn hoofd in de wolken heb rondgelopen.) Alles bij elkaar bepaald geen kwantiteit, maar wel kwaliteit dus!
De volgende dag
![]() |
| De berekende dichtheden van de Houtsnip (in aantal vogels/km²) in Meijendel waargenomen gedurende de afgelopen tien winters. |
’s Anderendaags begon ik zonder al te hoge verwachtingen aan de telling in het tweede kavel, ook vrij vroeg in de ochtend. Dit kavel is aanzienlijk kleiner en halverwege de telling kwam ik achterin, waar nog kleine restanten van grote hopen maaisel uit de herfst lagen die men juist in de afgelopen dagen was begonnen af te voeren. Broei in het maaisel had de grond kennelijk warm gehouden tot zelfs na het afruimen en op deze plekken was daarna geen sneeuw meer gekomen. Wel was daarop uit de verte al volop beweging te zien: een groep Watersnippen en Houtsnippen had een tafeltje-dek-je ontdekt en was druk aan het foerageren. Er was duidelijk sprake van een feestmaal, met (relatief) veel genodigden!
Verderop komt er kwelwater uit de grond en dat leidt tot een klein stroompje dat niet bevriest. De oever van zoiets, met niet al te lange plantensprietjes, is het afzoeken met de kijker altijd waard en inderdaad was er één vogeltje te zien. Het bleek een - gelukkig niet al te schuwe - Waterpieper, toch ook geen alledaagse vondst! Deze soort, die in de trekperiode vanuit berggebieden naar het westen i.p.v. naar het zuiden afdaalt, wordt gemakkelijk over het hoofd gezien (of voor een Graspieper aangezien). Bijzonder aardig treft het dat er in dit weekend ook eentje in kavel 14 is waargenomen!
Met een voldaan gevoel naar de uitgang van het kavel lopend werd ik op de valreep nog getrakteerd met de baard-in-de-keel-roep van een overvliegende Raaf. Februari-tellingen zijn doorgaans niet zo spectaculair, maar ik heb het mezelf toch maar weer eens grondig ingeprent: je weet nooit voor wat voor verrassingen je kunt komen te staan, juist als je die het minst verwacht!
Overigens, van de Houtsnip is deze maand een absoluut dichtheidsrecord waargenomen in Meijendel (zie grafiek: De piek laat daar geen misverstand over bestaan.)
Jan Westgeest (westgeest.jan@gmail.com)
