Januaritelling 2021: Over winteroverleving en... Putters!
24-1-2021
De eerste tellingen in 2021 laten een doorsnee globale uitkomst zien maar bij inzoomen komen voor sommige soorten toch resultaten aan het licht die vragen oproepen. Onze start in 2021 mag er in omvang trouwens wél zijn: bij het schrijven van dit verslag waren de resultaten van niet minder dan 30 kavels ingevoerd, in totaal 11,2 km2. Daar zijn 4.596 vogels van 79 soorten waargenomen. De gemiddelde dichtheid bedroeg 412 vogels/km2.
Om bij de Futensoorten te beginnen: met de Dodaarzen gaat het gewoon goed. Dit hele seizoen komt hun dichtheid tot nu toe in elke maand weer boven de gemiddelde waarde over de afgelopen 10 jaar uit, al moet worden toegevoegd dat de stijging er nu wel uit is. Maar voor de Fuut zelf is het verhaal heel anders: er zijn nu slechts 2 waarnemingen gemeld, zodat de dichtheid in januari het laagst was van het afgelopen decennium! Bekend is dat futen ’s winters vanuit het binnenland richting zee trekken omdat bij vorst veel zoet oppervlaktewater bevroren kan zijn. U voelt misschien de vraag al aankomen: Zou die trek verleden tijd gaan worden vanwege klimaatveranderingen? Maar er zijn nu zelfs veel minder futen aangetroffen dan er jaarlijks in Meijendel broeden. Zouden die dan toch hun neiging om ’s winters op zee te gaan vissen gewoon handhaven? Daar lijkt het wel op. Mogelijk is daar meer vis te vinden dan in de duinen, want er was dit keer ook een laagterecord in de dichtheid van de Aalscholver. Aardig is wél dat er weer eens een Geoorde fuut is waargenomen, in kavel 10/12/76.
![]() |
| De berekende dichtheden van de brilduiker (in aantal vogels/km²) in het huidige telseizoen in Meijendel (per telmaand) vergeleken met de gemiddelde waarden ervan. |
Eenden
Bij de eendensoorten springen het meest in het oog: de Kuifeend, die tot nu toe bij alle tellingen in dichtheid aanzienlijk boven het maandgemiddelde scoorde (zie ook het verslag van december 2020) en de Brilduiker die juist sterk onder het gemiddelde blijft (zie grafiek). Zou deze nu ook meer op zee verblijven of juist noordelijker achterblijven om te foerageren?
Een andere groep om even bij stil te staan vormen de rallen. De Meerkoet, de Waterral en het Waterhoen blijken dit hele seizoen al bovengemiddelde dichtheden te bereiken. Vooral van de meest voorkomende Meerkoet is bekend dat de relatief milde weersomstandigheden een gunstig effect kunnen hebben op de overleving. Dat lijkt dit jaar krachtig bevestigd. En de berekende dichtheden van Waterral en Waterhoen wijken – ruwweg gezien – nauwelijks af van die in het broedseizoen (ofschoon er ’s winters trekkers vanuit het noorden en/of noordoosten bij zouden kunnen zijn). Het lijkt erop dat ook deze soorten onze winter dit jaar erg gemakkelijk doorkomen.
Jaar van de merel
De Merel heeft het in de afgelopen jaren moeilijk gehad als gevolg van het Usutu-virus en is door SOVON tot Vogel van het Jaar 2022 uitgeroepen, maar staat ook in 2021 al in de schijnwerper (om zo extra aandacht voor de soort te vragen). De dichtheden in Meijendel waren in de afgelopen twee maanden boven de gemiddelden voor die maanden. Zouden we voorzichtig mogen concluderen dat zo langzamerhand het meeste leed geleden is?
![]() |
| De berekende dichtheden van de putter (in aantal vogels/km²) in het huidige telseizoen in Meijendel (per telmaand) vergeleken met de gemiddelde waarden ervan. |
Bijzonderheden bij deze telronde zijn wat mij betreft: de 2 Appelvinken (kavel 42), de Grote lijster (kavel 33) en de Witgat (kavel 32). Maar een echte ereplaats is dit hele seizoen weggelegd voor de Putter (zie grafiek). De dichtheid bereikte na de maand september telkens opnieuw een maandmaximum en wel meer dan een verdubbeling van de gemiddelde maandwaarde! Leidt de klimaatverandering ertoe dat deze mooie vogeltjes voortaan minder ver hoeven te trekken?
Jan Westgeest (westgeest.jan@gmail.com)

