Maarttelling 2020: voorjaar na zachte winter
22-3-2020
Net als vorig jaar in maart was er deze keer in de periode vóór de tellingen veel nattigheid gevallen, maar op de teldata zelf was het weer nu duidelijk aan het verbeteren. De waargenomen vogeldichtheid bereikte dan ook een top voor deze maand (485 per km2), 120 vogels per km2 meer dan vorig jaar. We staan stil bij de bijzonderheden en kijken nu ook weer even terug op het afgelopen seizoen. Op het moment van schrijven van dit verslag zijn 4060 vogels doorgegeven; deze zijn waargenomen op ruim 8,4 km2 (26 kavels). De teller van de vogelsoorten staat daarbij op 87.
Naast het in deze tijd van het jaar bekende (zang)werk van Boomleeuweriken, Tjiftjaffen, Vinken, Zanglijsters en Grote en Kleine bonte spechten sprongen nu enkele, in half maart vroege of niet altijd algemene soorten in het oog: drie Kleine plevieren, een Bosuil, al veertien Witte kwikstaarten en twee Blauwborsten. Verder bereikten de dichtheden van de Kauw en de Huismus een record, maar deze toppen zijn toe te schrijven aan de vondst van relatief grote groepen in voor beide soorten één enkel kavel dat min of meer toevallig in de maarttelling is meegenomen. De hoofdprijzen voor waarnemingen mogen wat mij betreft naar de man Zomertaling die in kavel 4/5 is aangetroffen en natuurlijk de Bosuil in kavel 64!
![]() |
| Grafiek 1: De ontwikkeling van de totale aantallen aangetroffen vogelsoorten gedurende de gehele herfst-/winterseizoenen van de afgelopen tien jaren. In de laatste vier jaren is een grotere oppervlakte geïnventariseerd dan daarvóór. |
In het gehele herfst-/winterseizoen (dus in het midden van elke maand) hadden de volgende vijf soorten telkens een dichtheid boven het gemiddelde: Dodaars, Kuifeend, Meerkoet, IJsvogel en Boomleeuwerik. Het beleid van de vogelwerkgroep is erop gericht dat kavels met oppervlaktewater bij voorrang worden geteld, dus de eerste vier soorten in dit rijtje hoeven weinig verbazing te wekken. Maar ook de zachte winter zal hebben bijgedragen aan deze resultaten; het is bekend dat menige Meerkoet en IJsvogel in een strenge winter het loodje legt. Ook de Boomleeuwerik kan bij minder kou profiteren door in mindere mate weg te trekken (ter besparing van energie). Drie soorten hadden juist een dichtheid onder het maandgemiddelde in elke maand: de Knobbelzwaan, de Merel en de Goudvink. Maar in vergelijking met de waarden in het voorgaande herfst-/winterseizoen lijkt de teruggang tot staan gekomen.
![]() |
| Grafiek 2: Het dichtheidsverloop van de Kramsvogel (in aantallen per km2), vergeleken met de gemiddelde maandwaarden in de afgelopen tien jaren. |
Kramsvogel piekt later
De Kramsvogel was dit seizoen een verhaal apart. De soort voldeed in september niet aan het criterium van een lagere dichtheid dan gemiddeld dus kwam niet in het laatste rijtje voor. En doorgaans valt de dichtheidspiek in oktober. Maar in het afgelopen seizoen zijn er telkens slechts lage aantallen waargenomen en kwam de piek een maand later dan gewoonlijk. Het lijkt erop dat de soort minder ver begint te trekken. Maar ook is denkbaar dat veel vogels hoger over trokken. Wellicht kunnen de gegevens verzameld door SOVON meer uitsluitsel geven.
In totaal hebben we in het hele herfst-/winterseizoen 2019-2020 127 soorten waargenomen (exclusief de Soepeend). Graag dankt het bestuur van de Vogelwerkgroep Meijendel alle tellers voor hun inzet in de afgelopen periode. En we wensen iedereen een heel fijn voorjaars- en zomerseizoen 2020 toe, met veel telplezier en zonder hinder van coronavirus!
Jan Westgeest (westgeest.jan@gmail.com)

