Februari: vogels tellen tussen twee stormen in
22-2-2020
Naast vogels zijn tegenwoordig ook de stormen te determineren (al is het niet echt raadzaam dit in het veld tegelijkertijd te doen). Deze telronde viel min of meer tussen twee stevige stormen in: Ciara was nog niet eens een volle week voorbij en Dennis verscheen daags na de eigenlijke teldatum. Dit zou de vraag kunnen oproepen: is daar in de telresultaten iets van te merken? Bij het schrijven van dit stukje waren overigens 3.286 vogels (70 soorten) gemeld, uit 25 kavels (8,9 km²). Het verschil met de vorige telronde (januari) is niet groot. Toen waren er 3.640 vogels (73 soorten), op 9,9 km2 (26 kavels).
Voor een antwoord op de vraag zou je bijvoorbeeld kunnen zoeken naar soorten die hun vertrek naar het noordoosten hebben uitgesteld vanwege de stormen. Een indicatieve maat hiervoor zou kunnen zijn dat er tussen de afgelopen tellingen van januari en februari bijv. niet de gebruikelijke afname maar juist een toename in vogeldichtheid ten opzichte van de gemiddelde maanddichtheden blijkt op te treden; een soort stuwing dus. Bij beschouwing blijkt het resultaat uiterst beperkt: alleen de Wilde zwanen (twee stuks in kavel 14) lijken nog te zijn gebleven (niet eerder waren er in februari Wilde zwanen). Maar dat is eigenlijk alles; kortom, bepaald geen spectaculair effect, als dit een effect is!
| Veel Kuifeenden (foto: Jan Westgeest) |
Het zoeken naar de soorten die tijdens dit gehele herfst-/winterseizoen tot dusverre in dichtheid boven alle maandgemiddelden zijn gebleven, levert veel meer op (vogelsoorten dus die het in het huidige seizoen gewoon goed doen). De resultaten zijn als volgt. De Dodaars zit nog altijd in de lift, ook al lijkt de geleidelijke toename, die al bijna een decennium duurt, nu zo zoetjes aan af te gaan vlakken. De Kuifeend laat zich ook in een grotere dichtheid zien dan voorheen. Deze soort bereikte zelfs (als enige) een absoluut dichtheidsrecord in februari dit jaar! De relatief hoge dichtheid van veel watervogels is trouwens dit seizoen - minstens gedeeltelijk - waarschijnlijk ook een gevolg van het beleid van onze vogelwerkgroep om in de herfst/winter de kavels met oppervlaktewater zoveel mogelijk voorrang te geven bij de maandelijkse telbeurten. De Meerkoet komt eveneens in deze rij te staan. De winter is bepaald (nog) niet streng te noemen, dus veel meerkoeten overleven gemakkelijk. De Watersnip en dit jaar het Bokje zijn hier ook bij te schrijven. Hiervan is de Watersnip jaarlijks een vrij trouwe wintergast, terwijl het Bokje ’s winters meer onregelmatig en in zeer geringe aantallen aangetroffen wordt.
Profijt van zachte winter
De IJsvogel is een soort die duidelijk profijt heeft van de zachte winter. En de Boomleeuwerik krijgt misschien wel meer en meer in de gaten dat hij/zij hier zo langzamerhand gerust kan blijven overwinteren. Het rijtje wordt afgesloten met de Cetti’s zanger, die zich na vestiging begint te richten op uitbreiding; zo lijkt het althans. En weliswaar verdient de Winterkoning deze ereplaats net niet, maar deze soort blijkt wel een recorddichtheid voor de maand februari behaald te hebben; ook zo’n gunstig gevolg van de relatief warme omstandigheden deze winter. Dit soort positieve meldingen roepen bij mij overigens geregeld wel een ‘dubbel’ gevoel op, vanwege de klimaatontwikkelingen.
Blijft er tenslotte nog iets over om op de lijst van bijzondere vermeldingen te plaatsen? Nou, mijn voorstel is om hier de twee Witgatjes te noemen die de afgelopen twee telronden allebei zijn gezien in kavel 74 (en daarvóór was er al gedurende twee telronden eentje in hetzelfde kavel) en verder natuurlijk de Klapekster van kavel 13S.
Jan Westgeest (westgeest.jan@gmail.com)
![]() |
| De berekende dichtheden (in aantal/km²) van de Kuifeend tijdens de herfst-/wintermaanden van de laatste 10 jaren en de derdegraads polynoom daarbij. |
