Januaritelling 2020: een nogal gemiddelde januarimaand

22-1-2020

Een paar tellers hadden zich vergist in het weekend: zij hadden hun telling een weekend te vroeg uitgevoerd. Hun resultaten zijn hier echter toch meegenomen want er was geen sprake van opzienbarende veranderingen in de betreffende periode van een week. (SOVON laat deze resultaten buiten de verslaglegging.) Tot dusverre zijn 3640 vogels gemeld, op 9,9 km2 (26 kavels), verdeeld over 73 soorten!

Totale vogeldichtheden (in aantal/km²) in de januarimaanden van 2011 t/m 2020 vergeleken met de gemiddelde waarde daarvan.

Bij een tiental vogelsoorten blijkt de berekende januaridichtheid deze keer relatief hoog uit te pakken. Zo waren bijvoorbeeld de dichtheden van de watervogels Nijlgans, Pijlstaart en Nonnetje de hoogste van de laatste tien jaren. Maar bij de eerste twee soorten gaat het slechts om een paar exemplaren verschil. Alleen bij het Nonnetje valt een verschil van enkele tientallen op, een verschil dat doorgaans juist pas tussen de maanden januari en februari optreedt. Hier lijkt dus sprake van vervroegde aankomst in de late-wintertrek. Hetzelfde lijkt te gelden voor de Boomleeuwerik. Maar deze soort had ook in december nog een relatief erg hoge dichtheid en blijft dus mogelijk in toenemende mate voor een deel overwinteren. Voor de Graspieper zou iets soortgelijks kunnen gelden.

In kavel 13S zijn twee Bokjes aangetroffen. Daarover valt enkel te zeggen dat de soort een schaarse, niet regelmatig jaarlijkse bezoeker is in de duinen en bovendien dat die niet altijd gemakkelijk te vinden is. Dan de Staartmees en de Boomkruiper: van deze vogels is bekend dat zij in het winterseizoen de neiging hebben om in groepen samen op te trekken en/of te slapen. Zo kan het gebeuren dat een teller voor zo’n groep komt te staan en dat de aantallen vogels van deze soorten zo sprongsgewijs worden opgekrikt. Van de Staartmezen zijn dit keer vier groepen van 10 tot 20 stuks geteld. En bijvoorbeeld in kavel 42 zijn 13 Boomkruipers waargenomen. Dat tikt aan. En Kauwtjes kunnen in nog veel grotere groepen samenkomen en foerageren. Als dit toevallig gebeurt in een kavel dat geïnventariseerd wordt, leidt dat gemakkelijk tot een superscore, zoals de 130 exemplaren in kavel 42 tijdens deze telronde. De laatste soort in dit rijtje is de Kneu: er zijn er 6 in kavel 45 aangetroffen; wederom een soort waarvan een gering aantal al tot een relatief hoge dichtheid kan leiden.

Slechtvalk (foto: Jan Westgeest)

Naast de reeds genoemde Pijlstaarten (twee in kavel 16) en Bokjes stel ik nog de volgende bijzondere vermeldingen voor: de Blauwe kiekendief in kavel 45, de Slechtvalk in kavel 42, de twee IJsvogels (een in kavel 1B en een in kavel 105), de Kleine bonte specht (in kavel 42) en de vijf Cetti’s zangers (een in de kavels 1B en 2 en drie in kavel 16) voor, waarvan overigens de laatstgenoemde steeds minder bijzonder begint te worden.

En tot slot: SOVON heeft het jaar 2020 uitgeroepen tot jaar van de Wilde eend. Aan de tellers wordt verzocht mannetjes en vrouwtjes afzonderlijk te tellen en in te vullen. Daarvoor moet je de soort – ook al staat die al op het scherm genoemd – invoeren alsof het een ‘nieuwe’ nog ongenoemde soort is (dat kan rechtsboven in het scherm). Vul dan eerst de soortnaam in, dan het aantal mannetjes en vervolgens (via de button ‘meer details’) het geslacht: mannetje. Volg deze hele route nog een keer voor het aantal vrouwtjes (dus ‘nieuwe’ soort, de(zelfde) soortnaam, het aantal en als ‘meer details’ geslacht: vrouwtje). Na opslaan zul je zien dat het systeem automatisch totaliseert én de getalsverhouding weergeeft. Dit kan ook voor de Soepeend.

Jan Westgeest (westgeest.jan@gmail.com)