Februaritelling 2019: Lenteweer lokt lentevogels en ontlokt eerste zang

27-2-2019

Stralend weer, met hoge temperaturen voor de tijd van het jaar, kleurde het gehele telweekend van februari 2019. Zoiets blijft niet onopgemerkt: het wekt zowel bij vogels als bij vogeltellers een (ver)vroeg(d) lentegevoel op. Sommige vogels kwamen tot eerste aanstekelijke zangpogingen en een aantal tellers tot vrolijk gejubel hierover. De samenstelling en de aantallen van specifieke vroege lentevogels kunnen gezien worden als een aardige onderbouwing. De vogeldichtheid (428 per km2) bleef net onder het maximum voor februari (431 per km2) over het laatste decennium: er zijn 4507 vogels geteld op ca. 10,5 km2 (33 kavels waarvan één niet helemaal), vertegenwoordigers van 79 soorten.

Maandrecords (hoogste dichtheden in de maanden februari van de afgelopen 10 jaar) waren er voor de ‘vroege voorjaarssoorten’: Grote zilverreiger, Boomleeuwerik, Graspieper, Pimpelmees en Rietgors. Vogels van deze soorten trekken in de winter meestal niet ver naar het zuid(west)en en ook lang niet met z’n allen. Zij kunnen dus eerder en in grotere aantallen teruggekeerd zijn dan vogels van vele andere soorten, uiteraard onder andere afhankelijk van de weersomstandigheden. Verder noem ik als februari-jubilaris nog graag het Waterhoen, waarvan er 5 zijn aangetroffen. Misschien had deze soort, die zich altijd moeilijk laat spotten, ook al wel het voorjaar in z’n kop.

Februaritop

De Grauwe gans en de Grote zaagbek bereikten eveneens hun februaritop. Beide soorten zijn voorheen altijd gewend geweest om te gaan broeden in het hogere noord-/oosten en de Grote zaagbek doet dat nog altijd, maar de Grauwe gans is al een tijdje gedeeltelijk standvogel in Nederland geworden. Wellicht hebben de trekkers van beide soorten het hier nog teveel naar hun zin of zijn de dagen toch nog niet lang genoeg om hun trekdrang voldoende op te wekken. (Voedsel zal vast ook een rol spelen.) De Dodaars, de Koolmees en de Boomkruiper vormen gevallen apart: dit drietal haalde de hoogste winterdichtheid ooit gemeten in Meijendel. De eerste, het donskontje, doet het trouwens al een hele poos buitengewoon goed in onze contreien!

Grote lijster Foto: Jan Westgeest

Bijzonder opvallende vogels waren: de Grutto (kavel 74), de Kerkuil (kavel 15), de twee Baardmannen in kavel 17B en drie ‘losse’ Cetti’s zangers (kavels 1A, 2 en 16+). De laatstgenoemde soort lijkt zich in Meijendel blijvend te vestigen of is al gevestigd. Want deze is de laatste maanden al vaker gesignaleerd. En weliswaar wordt de Klapekster ’s winters vaker waargenomen, toch is ook deze het apart vermelden altijd waard: in kavel 7 en in kavel 64 is er eentje aangetroffen.

Zingende vogels

En dan natuurlijk: die zang! In februari is eigenlijk maar betrekkelijk weinig vogelzang te verwachten. De maand hoort nog tot de ‘stille wintermaanden’. In het afgelopen telweekend echter hebben relatief veel tellers melding gemaakt van zingende vogels. Het varieerde van Vinken, waarvan sommige nog niet veel verder kwamen dan pogingen om hun liedje te gaan samenstellen (hetgeen er nogal pruttelend en soms zelfs slecht herkenbaar aan toegaat), tot vogelsoorten die - kort of lang - al beslist duidelijk op z/gang kwamen. Naast verschillende mezensoorten en roepende spechten zijn als treffende voorbeelden genoemd: de opvallende Boomleeuweriken, een enkele Merel en Houtduif (de laatste soms met baltsvlucht en al), hier en daar een altijd vérdragende Zanglijster en ook al een enkele Grote lijster. Deze vogel valt beslist niet altijd op als hij aanwezig is, maar daarom juist is z’n zang in het vroege voorjaar zo fijn om zijn aanwezigheid te kunnen registreren. In kavel 14 zijn twee Grote lijsters genoteerd, in kavel 42 een en in of rond kavel 61, 62 of 63 is er een gehoord (aparte melding van de naburige teller, waarvoor dank!). Als dit nog geen lente is…..?

Jan Westgeest (westgeest.jan@gmail.com)