Septembertelling 2018: over Boomleeuweriken, Merels en bijzondere vondsten
24-9-2018
![]() |
| De totale waargenomen vogeldichtheden (in aantal/km²) in de septembermaanden van de laatste 10 jaar, vergeleken met de gemiddelde waarde ervan. |
De Boomleeuweriken zijn in de bonen en de Merels in mineur, maar de positieve waarnemingen overheersen bij deze septembertelling in twee opzichten: er zijn enkele alleszins aantrekkelijke verrassingen en een mooi gemiddeld telresultaat. Op 10,5 km² (29 kavels) zijn 84 vogelsoorten aangetroffen en de totale vogeldichtheid kwam - zeg maar gerust - precies op het gemiddelde van de afgelopen 10 jaar uit (zie de grafiek).
Deze keer eerst maar even het slechte nieuws: het Usutu-virus lijkt nu toch ook in onze contreien stevig toegeslagen te hebben.
![]() |
| Dieptepunt voor de Merel. Heeft het Usutu-virus toegeslagen? Foto: Jan Westgeest. |
Zelf heb ik er in deze ronde niet één waargenomen. De stilte valt me trouwens - bij zo'n eerste ronde na de voorjaarstellingen - toch al telkens weer op als vrij overweldigend. Het is bij deze telling altijd weer even wennen aan dat zich pas geleidelijk weer wat vogels beginnen te laten zien en dat er substantieel tijd nodig is voordat het lijstje waarnemingen weer ergens op begint te lijken.
Op andere soorten dan de Merel lijkt het virus - gelukkig - geen al te grote uitwerking te hebben gehad. Vooral ook Huismussen schijnen er gevoelig voor te zijn, maar die hebben we in de duinen niet of nauwelijks (de enkele kavels waarin zij voorkomen, zijn niet geteld). De enige andere soort met een opvallend lage dichtheid in september blijkt de Ekster (ook een algeheel diepterecord), maar dat betekent misschien gewoon dat de Havik goed z'n best doet.
![]() |
| Hoogste dichtheid ooit tijdens wintertellingen voor de Boomleeuwerik. Foto: Jan Westgeest. |
Verder blijkt er in deze ronde van juist hoge uitschieters ook nauwelijks sprake te zijn. Eén uitzondering is hierop te noemen: de Boomleeuwerik. Deze soort liet de hoogste dichtheid ooit tijdens de wintertellingen noteren. Mogelijk profiteert de soort van de almaar voortdurende, relatief hoge temperaturen en van de vele insecten die er nog zijn. Dan is er immers weinig reden tot trekvertrek?
Ook is het misschien aardig te vermelden dat in augustus jl in Meijendel een nieuw record-aantal Krooneenden (tegen of rond de 700; ongeveer 50% meer dan vorig jaar) is vastgesteld (mondelinge mededeling van de twee van onze tellers, die hiernaar hebben gekeken). En dan te bedenken dat deze soort rond 2000 nog een zeldzaamheid vormde!
Andere soorten met relatief hoge aantallen voor de septembermaand zijn: Dodaars, Knobbelzwaan, Slobeend en - hoe aardig - de Goudvink. Hierbij moet echter worden aangetekend dat het totaal geïnventariseerde oppervlak deze keer (nog) niet zo erg groot was, zodat de gevonden uitkomsten misschien enigszins geflatteerd kunnen zijn uitgevallen.
De verrukking van de trekperiode is natuurlijk vooral gelegen in de onverwachte waarnemingen waar een teller plotseling voor kan komen te staan. Ook bij deze telling deden zich bij sommige waarnemers zulke aangename verrassingen voor.
De Paapjes, Tapuiten, Roerdomp, IJsvogels en Appelvinken nog daargelaten, noem ik graag als bijzonderheden: de Purperreiger in kavel 2 (een voor de tweede keer in de duinen aangetroffen soort), de vroege Brilduiker-vrouw in kavel 45 (zó vroeg hadden we deze tijdens de officiële tellingen al 10 jaar niet meer gehad; wél is de soort buiten de teldata weleens eerder zo vroeg in het seizoen aangetroffen), de Visarend, ook in kavel 45, de 2 Draaihalzen, één in kavel 45 en één in 62, en de 2 Raven in kavel 105.
Jan Westgeest (westgeest.jan@gmail.com)


