De winter van 2024-2025 kende in álle maanden de laagste dichtheden van de afgelopen 10 jaar. De aalscholver was een van de weinige soorten die zich aan de misère onttrokken. Alleen in februari waren er minder dan het gemiddelde van de laatste zeventien winters.
Tijdens de wintertellingen van 2024-2025 zijn van september tot en met februari 2.046 telingen uitgevoerd. Net als voorgaande jaren is ruim 10 km2 geïnventariseerd. Dit is beduidend meer dan de jaren voor 2015, toen gemiddeld zo’n 8 km2 werd geteld. Tot en met februari zijn dit seizoen 109 soorten gezien. Daar komen in maart nog wel zeven tot acht soorten bij. Maar het gemiddelde van afgelopen decennium, 121, lijkt niet haalbaar. Vorig jaar werden tot en met februari 117 soorten waargenomen.
Opvallende seizoenspatronen
De knobbelzwaan komt in de loop van de winter in steeds kleinere aantallen voor. De aanwezigheid van de nijlgans loopt terug tot en met december en klimt daarna weer langzaam omhoog. Dat geldt ook voor de krakeend. De tafeleend begint in september nog met 20 stuks per km2, neemt iedere maand een beetje af om in februari bijna geheel afwezig te zijn.
Veel soorten onder gemiddeld
Maar liefst 25 soorten haalden iedere telronde hun laagste dichtheid van de afgelopen tien jaar. Daaronder gekende zorgenkindjes als glanskop en goudvink. Er waren slechts twee soorten die iedere ronde aan het gemiddelde van de laatste tien jaar kwamen, of zelfs iets erboven: waterral en Cetti’s zanger. Bij de laatste moet erbij gezegd worden dat deze zanger pas de laatste zeven jaar in Meijendel overwintert.
Bijzondere waarnemingen
Bijzondere waarnemingen waren een koekoek en een bonte vliegenvanger in september, twee mandarijneenden, een kerkuil en een gele kwikstaart in oktober, een middelste zaagbek en een ijsduiker in november, een dwergmeeuw in december en een witgat in januari. Jan Westgeest vertelde deze bijzonderheden tijdens de ledenvergadering op 3 maart. Bekijk zijn presentatie Presentatie Wintertellingen 2024-2025.