De kavels 4 en 5 zijn twee jaar na de start (in 1958) van de geregelde inventarisaties al samengevoegd tot één kavel. K4/5 is vrij waterrijk en het ligt zo ongeveer in het centrum van Meijendel. In dit kavel bevindt zich het vogelringstation Meijendel. Het kavel is aan het eind van de jaren tachtig een paar jaar niet geïnventariseerd.
De laatste jaren is de Tjiftjaf de meest voorkomende soort in de broedtijd. Fitis, Winterkoning, Nachtegaal, Koolmees, Pimpelmees en Merel zijn ook vertrouwde bewoners. De Vink is hier rond de eeuwwisseling gearriveerd.
De meest honkvaste water- en rietvogels zijn Meerkoet, Kuifeend, Dodaars, Fuut, Wilde eend, Krakeend, Tafeleend, Kleine karekiet en Rietgors. De Grauwe gans heeft er tegenwoordig ook een enkel territorium. De Geoorde fuut daarentegen is sinds 2005 verdwenen.
Verder is in dit kavel bijna 10 jaar een territorium van de Torenvalk opgegeven, maar ook dat is verdwenen, hetzelfde geldt voor de Grote bonte specht. Al twintig jaar geleden zijn de Kievit, Scholekster en Boompieper verdwenen, later gevolgd door de Ringmus en ook de Kneu. In dit kavel was rond 1980 een deel van de toenmalige Zilvermeeuwkolonie gevestigd. Later zijn er een tiental jaren lang alleen nog 1 à 2 Stormmeeuwterritoria gevonden.
In de herfst en winter wordt er een aanzienlijke variatie aan watervogels waargenomen, waaronder geregeld Krooneenden, Slobeenden en ook de Waterral wordt er waargenomen.