Hoewel in dit kavel geen plassen liggen, grenst het aan de ene kant aan zee en aan de andere zijde aan de plassen van de kavels 3 en 17B.
Het kavel kent een beperkt aantal inventarisatiejaren: 1973 t/m 1976, 1978, 1981 t/m 1983 en onafgebroken sinds het jaar 2000.
Rond 1980 waren hier de Zilvermeeuw en de Stormmeeuw de meest voorkomende soorten, zij maakten deel uit van de meeuwenkolonie van Meijendel. Tegenwoordig zijn het de veel kleinere zangvogels die hier de dienst uitmaken: Fitis, Grasmus, Heggenmus, Nachtegaal en ook Winterkoning en Merel. Ook de Sprinkhaanzanger en de Tjiftjaf zijn geregelde territoriumhouders, evenals de Roodborsttapuit en bijv. de Braamsluiper. De Wulpen die hier in de zeventiger jaren voorkwamen, zijn geheel verdwenen.
In herfst en winter blijft het aantal waarnemingen hier doorgaans vrij beperkt. Voorbeelden zijn Winterkoningen, Roodborsten, Heggenmussen, verschillende mezen- en kraaiensoorten en af en toe ook Goudvinken.