Kavel 34 bestaat voornamelijk uit een deel van de zeereep. Het bevat geen oppervlaktewater en geen bos.
Er is van 1973 t/m 1983 in het voorjaar geïnventariseerd en later nog een keertje in 1994.
Tegen 1980 waren de meeste territoria voor de Fitis en de Veldleeuwerik, al was van deze laatste soort de teruggang zich al aan het inzetten. De Tapuit was toen ook nog duidelijk aanwezig. De opkomst van de Grasmus en de Heggenmus is van later datum. De Roodborsttapuit, Merel en Kneu kunnen heel goed nog steeds te vinden zijn in dit kavel.