Kavel 17 heeft een behoorlijke oppervlakte. Het grenst aan de westkant aan zee en aan de oostkant aan het fietspad Scheveningen – Wassenaarse slag. De zeereep maakt deel uit van dit kavel. Het oppervlaktewater van kavel 17 ligt aan de oostkant.
In de broedtijd is het kavel enkel in de jaren 1984 t/m 1987 niet geïnventariseerd.
De Fitis spant er in het voorjaar nadrukkelijk de kroon, op enige afstand gevolgd door de Nachtegaal, de Grasmus, de Kleine karekiet en de Heggenmus. Daarna komen de Merel, de Winterkoning en de Tjiftjaf. Van de eendensoorten zijn de qua territoria meest voorkomende de Wilde eend, de Tafeleend en de Kuifeend.
Van de meeuwenkolonie die er in de jaren zeventig en tachtig was met Zilvermeeuwen, Kleine mantelmeeuwen en Stormmeeuwen, is niet meer over dan enkele broegevallen van de Stormmeeuw (jaarlijks minder dan 5). Verdwenen zijn ook de Wulp, de Veldleeuwerik, de Boompieper en de Tapuit en later de Scholekster en de Kievit.
In het najaar van 2004 (oktober) is er een Velduil gesignaleerd en (een maand later) een IJsvogel.